maandag 5 oktober 2015

Nuts!



Vrede op aarde. Zo’n uitgebalanceerd gevoel van alles in balans, één met de natuur, en…het Pieterpadwegwijsboekje onder de arm. Dan ineens, wat verderop, wild schuddende takken, rondfladderende bladeren. Een groepje mensen slaat met stokken in de bomen. Grof geweld? Zinloos geweld? Ze lijken wel gek. Natuurvernielers.

Dichterbij blijkt dat het zeker geen geweld is. Zinloos is het al evenmin. Want onder de bomen staat een grote boodschappentas, voor de helft gevuld met lichtgroene bollen. Zoiets als kastanjes, maar dan zonder de stekels. We worden naderbij gewenkt, zo’n groene schil wordt opengebroken en zie daar, een gave walnoot.
Waarom heb ik nooit bedacht dat ik de stok waarmee ik wekelijks braaf de vloer dweil ook kan gebruiken om noten uit de boom te tikken. Maar, eerlijk is eerlijk, ik wist niet eens naar wat voor type boom ik had moeten zoeken. Deze vreemdelingen (uit Servië en Roemenië, begrijpen we uit het simpele Nederlands waarin we woorden kunnen delen) weten hierin veel beter hun weg. Zij weten hoe ze harde noten moeten kraken.

Ze zijn ook best bereid tot delen. Met gulle groene handen – van de kleurstof in de schillen – diepen ze tientallen walnoten op uit het schaarse voorraadje waarvoor ze waarschijnlijk al uren in de weer zijn. Even in de oven. Met honing en citroen. Ik proef bijna al de baklava.
Ik moet mijn rugzak openen, gebaren hun werkzame handen. Maar nee, dat kan ik niet aannemen. Zij zijn de eerlijke vinder, en bovendien loop ik al te sjouwen.   
“Kijk,” toon ik trots mijn buit. Een plastic zak vol kastanjes.
Enthousiaste hoofdgebaren. Ga ik die ook opeten?

Zomaar voor de lol in de vensterbank leggen? Omdat ik ze mooi vind?
Welwillend knikken, want dat is beleefd. Maar met grote ogen van verbazing.
En waar zijn wij eigenlijk naar op weg? Nergens naar? Lopen wij zomaar uren voor niks?
Ze blijven vriendelijk lachen, maar met een wat meewarige ondertoon.


Als zij even later hun werk hervatten en wij ons pad vervolgen, is mijn wereldperspectief weer een klein stukje gekanteld. Door het kruisen van je weg met anderen zie je soms ook jezelf een beetje anders. Door hun ogen is dat... nuts!


Tunnelvisioen


Pompompom. Een mooie vrijdagmorgen. Nog vrij ook, en de zon schijnt volop. Zo’n alleskaneenmensgelukkigmaken- en nikskanmis-moment. Het verse kopje thee (koffie mag ook) staat al op me te wachten. Bij een vriendin. Niet al te ver weg, dus lekker met de fiets.  

Op naar dat handige tunneltje onder de autoweg door. Maar wat is dat? Wegomleiding? Die geldt toch zeker alleen voor gemotoriseerd materieel? Waar een wil is, is een … verbodsbord. Met een beetje goeie wil til ik’m er zo overheen, mijn sportieve lichtgewicht rijwiel. Maar de civiele bouwvakkers hebben duidelijk moeite gedaan een zandvlakte te egaliseren. Die gaan niet blij zijn met verstorende voetstappen. Nee, dit is duidelijk een overall Ho en No Go.

Voor iemand zonder richtinggevoelchip voelt dit bijna als terug naar af. Dit tunneltje is mijn enige steun en toeverlaat om aan de andere kant van de autoweg te geraken. Parallel blijven fietsen, dan komt er vast een nieuwe overheen of onderdoor. De eerste komt pas een klein half uur verder. Een viaduct met een bord dat ook niets aan het toeval overlaat. 60! Ik ben wel snel, maar dit is een brug te ver. Doorfietsen!

Via nieuwbouwwijken met doolhofstraten die zich van dorp naar dorp aaneenrijgen raak ik het spoor een beetje bijster. Een mevrouw achter een kinderwagen verstaat me niet. Wat? Wat? Ze begrijpt duidelijk mijn vraag niet eens. Ik snap waarom zodra ik haar hoor spreken. “Weet niet.” In die twee woordjes weet ze al een Oost-Europese klank te leggen. De autochtonen weten het al niet veel beter. De e-bike bejaarden zien mijn opgestoken hulphand niet, zo geconcentreerd zijn ze op hun stuur. En de man met agrarische looks op een rammelfiets weet hooguit te melden dat waarnaar ik op zoek ben een ‘hiel kloin durrepie’ is. Vertel mij wat, daarom staat het op geen enkele wegwijzer.

In de verte schitteren de autodaken op de snelweg, een lint dat het landschap doorsnijdt. Zie daar maar eens overheen te komen. Op goed geluk neem ik een zijweg. Raak! Want ja, daar is weer een overgang. “Hey chick, hier is het fietspad!” schreeuwt de racefietser die net aan de linkerkant naar beneden komt suizen.

Eenmaal aan de andere kant duurt het nog even voordat ik me oriëntorisch weet te herpakken. Wie niet slim is, moet ver fietsen. Dik na koffietijd kom ik binnenrijden. Glad van de verkeerde kant, maar wat leuk… zie ik deze kant van het ‘durrepie’ ook eens.

De koffie is nog warm in de thermoskan en in haar tuinhuis serveert mijn vriendin zelfgebakken boterkoek. Wel met een vleugje citroen lemoncurd, want een beetje afwijken van de route (in plaats van slikken voor zoete koek) da’s meestal de beste weg. 


@Frieda Bulk

dinsdag 22 september 2015

Valse noten


Vroeger, toen de wereld nog overzichtelijk was (in ieder geval zo leek het, vanuit mijn kinderperspectief) had je zo’n vrolijk jeugdliedje. “Witte zwanen, zwarte zwanen
Wie gaat mee naar Engeland varen.” Het spannendste was de eindsprint. “Ga doore, ga doore,” maakten wij ervan. “Wie achter is, komt voohoohoo… re!” En bij die laatste lettergreep klapten de ‘poortwachters’ hun gestrekte armen naar beneden en was je gevangen. Onschuldig kinderspel.

In de loop der jaren is dat liedje wat weggezakt in het collectief geheugenverlies. Dus ook bij mij. En ineens, komt het toch weer bovendrijven. Ja bij het zien van al die de dobberende opblaasbootjes, in het journaal. Maar nog veel meer bij de taferelen rond de grenzen. De ene dag en kan je direct door met de trein naar Duitsland en word je met spandoeken verwelkomd. Een dag later stuit je na het sjouwen van je hele hebben en houwen (gelukkig is het meestal niet zoveel) op rollen prikkeldraad. Of zelfs een kordon ME-soldaten, gewapend met spuitbussen met traangas.
Hoe moet je als vluchteling hoop houden? En bovendien wat is hoop met het woordje 'puin' ervoor?

Traangas! Die tranen komen volgens mij vanzelf al, als je alles – echt alles – hebt achtergelaten op zoek naar een nieuwe toekomst, die al net zo onzeker blijkt te zijn als het onveilige verleden.
Om het zelf droog te houden bij zulke beelden probeer ik mezelf af te leiden met een wijsje in mijn hoofd. Iedere keer wordt het weer dat ene liedje dat de boventoon voert. En eigenlijk klinkt het lang zo leuk niet meer als ik me herinner.

Engeland is gesloten
De sleutel is gebroken
Is er dan geen timmerman
Die de sleutel maken kan?

Het onschuldige liedje schijnt een diepere bodem te hebben. De zwanen, dat zijn de engelen die je begeleiden bij geboorte (wit) en bij dood (zwart). En engelland -  met kleine letter en dubbel l - heeft niks met Groot-Brittannië te maken, maar is het rijk van de engelen: de hemel dus.


Een hemel op aarde is ver te zoeken, als de woelige baren van een gevaarlijke zeereis in een speelgoedzwemvest aan de wal gewoon doorgaan. Geen wonder dat dat liedje nu een soort valse ondertoon heeft. Maar ja, vluchten is dan ook geen kinderspel.





dinsdag 15 september 2015

Tanden knarsen

An apple a day keeps the doctor away. Geldt dat eigenlijk nog steeds? Als het aan de tandarts ligt vast niet. Al die fruitzuren blijken de pest voor het glazuur van tanden en kiezen, dus die vrolijke ‘snoep verstandig eet een appel’-reclame van de jaren ’70 is multi-interpretabel achterhaald.


Aan mijn tandartsbezoek van vroeger jaren bewaar ik geen fijne herinneringen. Twee keer per jaar kwam hij voorrijden, de schooltandarts. Op alfabetische volgorde werden de bibberende leerlingetjes weggeroepen voor een bezoekje aan wat eruit zag als een te groot uitgevallen camper. Gelukkig had ik bijna nooit een gaatje, maar de vulling die hij ooit aanbracht, werd er direct weer uitgeboord door de andere tandarts. De officiële van het gezin, waar we ook nog eens twee keer per jaar in de stoel moesten liggen. “Hoe vaker hoe beter,” vonden mijn ouders in een tijd waarin tandartszorg net in opkomst en dus trendy was. Waarschijnlijk dat de ziektekostenverzekering alles vergoedde, maar ik was het kind van de rekening met die twee klusjesmannen die elkaar probeerden af te troeven via mijn gebit.


Tegenwoordig heb ik een vrolijke (vrouwelijke) tandarts. Het is bijna gezellig om naar haar toe te gaan. Maar omdat een mens kennelijk altijd iets te zeuren moet hebben, is mijn irritatiefocus nu verlegd naar een andere professional. De mondhygiënist.
Was vroeger frequent poetsen voldoende voor een volmaakt witte glimlach, tegenwoordig moet je de strijd tegen tandplak en andere kwalen achter de lippen aangaan met een compleet schoonmaakpakket. Tandenstokers, flosdraad, ragertjes. En wee je gebeente als je die niet gebruikt! De interieurverzorgster van het gebit ziet het meteen.
“Jij hebt het weer prima gedaan,” sprak die van ons iedere keer overdreven articulerend tegen mijn echtgenoot, intussen streng starend naar mij… totaalweigeraar van cocktailprikkers in het tandvlees. Als rechtgeaard vegetariër heb ik het niet zo op die bloedende stokjes.
Ja, ik weet het, je moet dóórzetten. Het was vooral dat ‘gestook’ in een goed huwelijk dat mij definitief deed afhaken.

De alarmerende geluiden uit mijn omgeving doen me nu toch weer aarzelen.
Een vriendin die wekenlang nauwelijks kon eten omdat ze ‘flapjes tandvlees’ moest laten wegsnijden, onder een stortvloed aan afkeurende kritieken over haar poetsgedrag. Nee, de mondhygiënist praat de klant niet naar de mond. Of een andere vriendin die ‘strafopslag’ moest betalen bovenop de toch al dure rekening: 12,50 euro poetsinstructie.

Vroeger, in het ‘appeltijdperk’ zeg maar, was het beroep mondhygiënist nog niet eens uitgevonden.
Laat staan die ieniemienie cv-reinigers voor tussen de tanden. Is dat nodig, zo’n complete huishouding in onze mond? Als ik daar te lang en te ver over doordenk, zie ik het ineens weer staan. Dat beetje aangekalkte ouwe glas, op het nachtkastje van mijn grootmoeder, met daarin in twee gedeelten, haar gebit. Dat nooit!

Dus toch maar weer een afspraak maken met de personificatie van een partijtje tandenknarsen? Anders sta ik binnenkort lelijk met mijn mond vol tanden. Of niet. En zo’n mummelmondje? Dat ziet er niet uit. Maar even op de tanden bijten dus.







maandag 24 augustus 2015

Sail


De dag begon ijzingwekkend vroeg. Op het vertrekpunt was het zelfs nog schemerig, en er waren weinig ogen die zagen wie er instapten. Eenmaal binnen werd er ook weinig oogcontact gemaakt. Het leek wel of de medereizigers focusten op een onzichtbare horizon, om vooral geen notie te hoeven nemen van de anderen. Ieder reist zijn eigen route, eindbestemming hou je voor jezelf.
Na een dik half uur was het tijd voor de overstap op een nieuw vervoermiddel. Een heikel punt, want…ben je op tijd? En is er dan nog plaats beschikbaar?


Uren later arriveren we op de eindbestemming, die tegelijkertijd ook een nieuw beginpunt is, want vanaf hier gaat de reis voorlopig verder te voet. Dat is de deal. De zon teistert onbarmhartig onze onbedekte armen. We voelen het nauwelijks. De weg vinden, dát is de belangrijkste barrière.

De route voert ons over een grillig pad, kronkelend van links naar rechts, maar ook stijgend en dalend, voerend langs verlokkend water, maar we moeten verder. Eindeloze velden, de horizon schroeiend aan de einder. In de bossen die we doorklieven, komen we bijna niemand tegen. Af en toe een enkeling tussen de bomen, met mysterieuze papieren ritselend in de hand. Een knikje van verstandhouding, zonder woorden begrijpen we van elkaar waarnaar we op weg zijn.

Pas in de late avond zien we de schepen. Het is dringen om aan boord te komen, want – hoe schrijnend – er is lang niet genoeg plek voor iedereen. De touwen staan strakgespannen om de oprukkende meute in goede banen te leiden. Kans op kapseizen is er altijd, risico van verdrinken ook, dat heeft de praktijk aangetoond. En toch, van opgeven wil niemand weten. Nu we zo dichtbij zijn, willen we door.

Wegzinken, dat gebeurt pas vele uren later, waarbij de beelden van die dag nog even in time lapse-vaart voorbij vliegen. 
Het was een mooie dag, want alles deden we voor de lol. Anderhalf traject Pieterpad en na afloop nog even langs Sail.
Thuis wachtte de warme douche, en de heteluchtoven waarin een stokbroodje snel is gebakken. In de koelkast nog een flink stuk brie. Kippenvel en trek zijn dan snel verdwenen. Zeker met een glaasje koele witte wijn zie je de dingen in een heel ander perspectief.

Wegdoezelend in het comfortabele tweepersoonsbed ben ik nog net wakker genoeg om te beseffen; de reis van een vluchteling kent die kanteling niet. Zijn wereld staat altijd op z’n kop.







PS. Google eens ‘Sail, dringen aan boord’ en je krijgt ‘drinken aan boord’. 



donderdag 20 augustus 2015

Kut!


Periodieke malaise. Nee, niet die specifieke vrouwelijke problematiek, en de tussenpauze is gelukkig vele malen groter dan een maand. Maar de bijbehorende symptomen zijn méér dan navenant gigant. De ramp heet: nieuwe telefoon.

Ik verdenk de fabrikanten ervan dat deze als meest vernuftige techniek een zichzelfvoorgoeduitschakelsysteem hebben ingebouwd. Twee weken terug was het zover. Met geen enkele infuus- of accukabel nog tot leven te wekken.

Met een beetje goede wil heb je zo’n nieuwe smartguy redelijk snel in de vingers. Behalve het zogenaamd zelfdenkende toetsenbord. Waarom is in vredesnaam ooit bedacht dat het handig is dat je telefoon woorden afmaakt die jij niet eens wilt zeggen? Backspace wissen en opnieuw beginnen kost meer tijd dan lekker je eigen zinnen verzetten.


“Gewoon doortypen, dan komen alleen jouw letters op het scherm,” zeggen de voorstanders. Ja, m’n neus!
“Fijn dat je me weer even appt,” schrijf ik iemand die uit de contactlijst was verdwenen. Tenminste, dat wilde ik schrijven. “Apotheker,” probeert de nieuwe telefoon slimmer te zijn dan ik. Kies dan desnoods nog voor ‘applaus’.

“Handig juist die voorspellende woorden,” juichen de voorstanders.
Oja? Hoe zou een schilder het vinden als-ie een raamkozijn blauw wil verven, en er spuit rode verf uit zijn kwast? Of de bakker die volkorenbrood wil maken en er rolt vijf kilo rozijnen van het plafond zo in de bakblikken?
Voorspellende woorden? Als ik een waarzegger wil, koop ik wel een glazen bol!


Inmiddels heb ik het toetsenbord weer volledig onder controle, dankzij wat handige hulp bij een verbazingwekkend uitgebreid voorkeuzesysteem met zelfs een functie voor ‘grof taalgebruik’.

Nu kan ik weer letterlijk kiezen wat ik schrijft. Inderdaad, met risico op fauten.
Maar zelf blijven denken houdt de geest scherp. Monddood gemaakt worden door je eigen telefoon, dat is
Kunstenmakerij?
Kunst- en vliegwerk?
Kut!*


* Pardon, grof taalgebruik geactiveerd







woensdag 19 augustus 2015

Groot, tot in de dood


Het overlijden van iemand in de nabije kring brengt vaak ook de gemoederen in beweging over rouwadvertentie of -kaart. Pas stond er zo’n afscheidsgroet in een lokale krant die hier niet in de bus rolt. 'Met ernaast zó’n gigantisch tekstblok, dat het alle aandacht opeiste',  zo berichtte een gemeenschappelijke bekende van de overledene. Naar haar idee ‘vast en zeker een miskend talent, dat met die enorme advertentie toch nog postuum zijn gram kon halen’.


Gelukkig is het niet de afmeting van de overlijdensadvertentie die bepaalt of iemand een waardevol mens is geweest. (Wie wel? Dat is weer een heel andere discussie.)
Bij leven en welvaart kan je je omringen met villa’s, auto’s, motoren en andere slagschepen van formaat XXL. Daarna speelt geld geen enkele rol meer, dus … iedereen gelijk?

Die gelijkwaardigheid ligt wel op verdacht hoog niveau op Sicilië. Grafmonumenten als complete villaparken, of in ieder geval formaat fijn vakantiehuisje, met eromheen tientallen treurende weduwen (?) in de weer met bloemenvaas en borstel. 
Mafiamores van gene zijde?

Dichterbij huis bezoek ik zelden een begraafplaats, omdat ik er gevoelsmatig weinig vind. Vooral door de herinnering aan de woorden van mijn gestorven grootmoeder die daarmee hun kracht bewijzen:  ‘Zolang er nog iemand aan je denkt, ben je niet echt dood’. Haar vertaalslag van ‘de doden zijn niet weg, alleen onzichtbaar’ van filosoof Victor Hugo.

Zo’n rondje begraafplaats is een filosofische beschouwing op zich.
Geboortedata (ver) na de mijne, als een ware wake up call. Sta ik hier toch maar mooi in de reservetijd!
Grafschriften in de trant van ‘onze lieve, dierbare, innig gemiste….’ maken vaak wat achterdochtig. Zijn die versteende superlatieven bedoeld om postuum iets goed te maken?
Bij de kindergrafjes loop ik sneller. Al die scheefgezakte beertjes die de tijd niet hebben gehad om te verslijten.

De boventoon voert Abcoude. Alweer een half jaar terug deed ik daar een rondje begraafplaats om… ja, de tijd te doden… wachtend op de trein.
Een simpele rechthoekige steen, een man van ergens in de 40.
‘Paul, forever young’.


Die heeft in elk geval gelééfd.