Posts tonen met het label Gevangenenzorg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gevangenenzorg. Alle posts tonen

dinsdag 31 januari 2017

De wereld die de jouwe niet is…



Een groot gebouw, tralies voor de ramen, hekken eromheen.
Afgebakend, want ze horen niet in de maatschappij, de plegers van de daden die het daglicht niet kunnen verdragen. Veilig opgeborgen, zodat ze geen gevaar vormen, vooral niet voor de anderen.
Daarbuiten.

Zoals de jonge vrouw, die droomt van haar nieuwe rol. De mooiste die je je kunt indenken. Die van moeder. Haar hand gaat gedachteloos naar haar buik. Ze voelt, van buiten en van binnen.
Zij, die zelf zo weinig gekoesterd is, heeft veel liefde te geven. Een inhaalmanoeuvre met emotionele slagkracht. Het zoveelste paar witkanten babysokjes dat ze snel in haar tas propt - na eerlijk afrekenen bij de kassa - hoort daarbij.

Helaas, onvoltooid verleden tijd.
Want de vader wilde niet die nieuwe rol. Niet als vader van haar kind, niet als deler van haar leven. Als grootste gemene non-deler was hij weg. Hoe ze haar kindje verloor doet er niet toe.
Niet langer een dikke buik, maar een holte. Vooral van binnen.
Babysokjes en rompertjes bleven verweven met het ritme van haar leven. Een doel om te blijven bestaan. Tot die dag waarop ze hem weer zag. Na maanden van ploeteren om jezelf zelfs maar uit bed te krijgen, dag na dag na dag.

Hij zag haar niet, maar zij had een messcherpe focus op zijn hand, op die buik, van een vrouw.
Mensen doen elkaar pijn, maar vooral ook zichzelf. Met een nieuwe reden om uit bed te komen, dag na dag en te posten bij dat bekende huis om vanaf afstand gade te slaan hoe hij groeide, die andere buik. Of was het een zij?

Op een dag is de maat vol, klapt de zelfbeheersing, verliezen de remmingen hun functie, val je in een onbekende diepte en… woon je ineens in een wereld die de jouwe niet is. Wás.
Want je hoort er nu toch thuis, achter de hekken, de tralies voor de ramen?
Er is veel tijd om te overdenken. Teveel tijd waarin je je schrap moet zetten om niet knettergek te worden. Of… ben je dat al?

Toeleven naar de ‘uitgerekende datum’ is al net zo lastig als toen, want ook hier staat die niet precies vast. Eén ding is zeker: het is een zware bevalling voordat de vrijheid weer begint.
Hopelijk wel de geboorte van een nieuw leven, waarin het lukt om weer omhoog te kijken, in plaats van vol schaamte naar de grond. In de overtuiging dat de scheidslijn tussen goed en slecht niet simpelweg wordt bepaald door tralies en hekken.


En wie weet…


vrijdag 23 januari 2015

Onbeschreven blad met diepgang



“45?”
Da’s nog eens een manier van vrienden maken! Met die complimenteuze inschatting van mijn leeftijd glijd ik met jeugdig jolijt het weekend in. Tuurlijk, minimaal vijf jaar zijn toe te schrijven aan sociaal aanvaardbaar pleasen, maar soms is het beter die wijsheid eventjes terzijde te schuiven. Nee, met die dik acht jaar te laag zit het tussen ons in één klap goed.

Ik heb het over de gedetineerde die ik voor het eerst bezoek. Een man van Marokkaanse afkomst, begin 30, die de levenswijsheid van zo ongeveer een 60-jarige tentoonspreidt. De mannen van die leeftijd zijn voor hem een voorbeeld. Van hoe het niet moet. “Nu heb ik zo’n beetje de helft van mijn leven achter tralies doorgebracht en dat moet anders. En ik ben degene die dat moet waarmaken.”


Zijn wankele start in een jeugd  met haperingen wordt wel even benoemd, maar niet met het schuldvingertje. “Van mijn vader heb ik vooral geleerd hoe ik het niet wil, maar nu doe ik het zelf niet veel beter.” Doorleefde woorden uit de mond van een bruisende jongeman in trainingspak. “Vanmorgen even een uurtje gesport, dat is een goede start van de dag.”

Hoe opvoeden moet, daarover tast hij in het duister. Eerlijkheid is een groot goed. Zijn drie kinderen krijgen dan ook geen smoezen voorgespiegeld over waar vader is, maar komen regelmatig op het familiebezoek. Alles met de buitenwereld delen is een hele stap verder. Soms een te grote.
“Toen mijn dochtertje op school niet meer mocht meespelen omdat ze ‘geen vader heeft’ heb ik de hele nacht wakker gelegen. Het brak mijn hart.”
Zijn eigen vader ziet hij niet meer, maar zijn twee dochters en zoon zijn de stimulans het roer om te gooien. Als hij straks vrij is, gaat hij een studie volgen om anderen te kunnen behoeden voor de fouten die hijzelf heeft gemaakt.

Niet alleen bij zijn eigen kinderen, maar ook bijvoorbeeld op scholen wil hij zijn (slechte) ervaringen keren tot iets goeds. “Vroeger had ik weleens hulpverleners tegenover me die geen idéé hadden waarover ze spraken. Vijf maal kreeg ik zo’n beetje hetzelfde voorbeeld gepresenteerd, duidelijk uit een studieboek. Maar ik ken de praktijk.”
Zijn cv is nagenoeg leeg. Zelf is hij allerminst een onbeschreven blad, maar tot het uiterste gemotiveerd daar een nieuwe invulling aan te geven. De motivatie spat bijna door de lucht.
“Ik weet waarover ik het heb,” luiden zijn afscheidswoorden bij dit eerste bezoek. “Zodra de celdeur achter je dichtgaat, begint het denken. Dan ben je alleen nog maar met jezelf.”


‘The man in the mirror’ van Michael Jackson zingt in mijn hoofd als ik terugloop naar de auto. In de spiegel ontmoet ik eventjes mijn ogen. Nee, van leeftijdsinschatting heeft deze jongeman geen kaas gegeten. Van hoe je mensen een goed gevoel moet geven, vele malen meer. Ik hoop dat mannen als hij de kans krijgen hun plannen in praktijk te brengen. Dan komt het wel goed met onze jeugd.





woensdag 4 juni 2014

Sterk en stoer

Ze komt door de deur stuiven, de vrouw met de stoere stap, de stevige spijkerbroek en kort rood kapsel. ‘Met haar hoofd in de menie gevallen,’ zou mijn moeder gezegd hebben. Na wat gemompel bij de incheckbalie komt ze mijn richting uit, een plastic boodschappentas ritselend in haar hand.
‘Mooi shirt,’ spreekt ze goedkeurend, en laat haar ogen ongegeneerd over mijn lichaam glijden. Beleefd wegkijken, dat is duidelijk niets voor haar. Ze is het type open vizier.



Voor ons twee mannen aan het loket. Druk verwikkeld in wat eruit ziet als een gecompliceerde procedure.
‘Hoe laat heb jij je afspraak?’
‘Elf uur.’ Blik op de klok.
Zij weer. ‘Ik kwart over elf. Ik vind het hier een rotzaal. Is het druk op woensdag?’
Even aarzel ik. De familiezaal heb ik maar één keer van binnen gezien. Wat ik heb onthouden zijn die oncomfortabele draaikrukjes.
‘Ik zit in een apart kamertje. Ik ben van Gevangenenzorg’.
‘Oooh.’ Verbazing in haar blik. ‘Doe je dat helemaal vrijwillig?’
‘Eh ja.’
‘Waarom?’
Tsja, waarom? ‘Omdat ik denk dat het al straf genoeg is om gevangen te zitten. Daarom kom ik iedere twee weken een uurtje praten. En soms wat kleren brengen,’ zeg ik met een schuin oog op het plastic tasje in mijn hand.

Even staan we oog in oog, gewoon als twee vrouwen in een praatje.
Ik herken het logo op haar jeans.
‘Leuke spijkerbroek.’
‘Ja, goeie pasvorm.’

‘Maar, ken jij zoveel van die zalen dan?’ Ik hóór het mezelf vragen.
‘Oja, ik weet het niet meer precies. Vugt. Rotterdam. Breda, maar die is nou dicht. Bij mijn vader. Mijn broer. En nou hier weer…’
Een diepe zucht.
Wie ze bezoekt, dat laat ze in het midden. Haar blik zegt: wie in de bak zit, is een loser. Mijn doekje voor het bloeden dat je soms dingen doet die je eigenlijk misschien niet had willen doen, wappert ze resoluut weg.
‘Ik heb ook een kut-jeugd gehad. Maar ik zit mooi niet in de bak!’

Mijn beurt aan het loket. Ik schuif twee spijkerbroeken en een ruitjesoverhemd naar binnen.
Even later zitten we tegenover elkaar, de gevangene die ik inmiddels aardig ken en ik. Hij met een kersverse kralenketting om de nek, gemaakt op de crea, één uurtje maar per week. De avonden zijn saai. Vanaf vijf uur ligt hij aan één stuk door tv te kijken op bed, totdat hij in slaap valt. Het is niet gemakkelijk om binnen zitten. Maar buiten de boel draaiende houden is vast niet veel eenvoudiger.

Geloop en lawaai op de gang. Er huilt een baby. Geen rustige woensdagochtend.

Als ik me afmeld - bezoekerspasje weer inleveren, paspoort en Gevangenenpasje weer retour - zit zij waarschijnlijk nog boven. Dag sterke stoere rooie vrouw. Ik weet niet wie je bent, en waarschijnlijk zien wij elkaar nooit meer. Maar in mijn gedachten verdien jij een lintje.




donderdag 24 april 2014

Pak Tak!


Een van de doelstellingen van een vrijwilliger van Gevangenenzorg is samen met de gedetineerde spreken over zijn (of haar) misstap. Niet met het opgeheven vingertje, maar met een vingerwijzing naar de toekomst. Zó kan het straks beter. Zolang er leven is, is er hoop. Maar, er is één basisvereiste. Enige mate van zelfreflectie.

“Ik heb niks gedaan. Ik was gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.” Deze opmerking die de man die ik nu drie keer in de gevangenis heb bezocht, bleef herhalen, gaf nog niet veel hoop op zelfinzicht. Maar hij had me wel uitgenodigd voor de rechtszitting. Dat ik daar de dingen zou horen die hij me (nog) niet had verteld, zag hij kennelijk niet als belemmering.

Wie geen contact meer heeft met zijn familie en ook weinig vrienden, kan niet rekenen op een grote opkomst bij de rechtszaak. Ik was eigenlijk al verbaasd over de man en vrouw die gelijk met mij werden binnengelaten.
‘Publieke tribune’ is een grote term voor vier rijtjes stoelen. Maar in dit geval stonden er dus meer dan genoeg. De opkomst van de professionals was groter. Vier heren op rij, in zwarte toga met witte bef. Terzijde de vrouwelijke Officier van Justitie, van hetzelfde laken een pak. Dress to impress?

Op mij had het effect, met ingehouden adem wachtte ik… nee, niet op de komst van de arme sloeber die voor de leeuwen zou worden geworpen, maar spannend was het wel. Geflankeerd door twee met handboeien rammelende bewaarders werd hij naar zijn plaats begeleid, de man die ik van achteren bijna niet herkende. Pas toen hij zat, zag ik die houding, het hoofd wat voorovergebogen, alsof hij het vijftal tegenover hem niet durfde aankijken.

In officiële juridische bewoordingen werd snel duidelijk wat de aanleiding tot deze strafzaak was. Een poging tot stelen van een damestasje op een koude winteravond. De echtgenoot van het slachtoffer handelde snel. Daadkrachtig wist hij de tastrekker tegen de grond te werken en met behulp van omstanders werd de politie gebeld.
In die context kon ik het echtpaar aan de overkant plaatsen. Net als ik luisterden zij naar het magere verweer van de aangeklaagde. Hij had “niks gedaan”. Maar hoe geloofwaardig is het dat er lukraak iemand wordt vastgegrepen, op de grond gegooid en aan de politie uitgeleverd? Een beter voorbeeld van heterdaad lijkt ondenkbaar.

Onbetwist, het is strafbaar, zo’n poging tot tasjesroof. Ook als die mislukt! Maar in de context van de persoonlijke omstandigheden, spelen compassie, inlevingsvermogen. En de hand over het hart?
Dik tien jaar dakloos, geen werk, geen uitkering. En vooral, psychische problemen.
Betekent dat een notoire leugenaar die het zelf gelooft?
Dissociatie, zoals ‘ik was er even niet bij’ in jargon wordt genoemd?
Of was er sprake van stemmen in het hoofd, zoals het commando voor de hond: “pak tak”? Tas, in dit geval.

De uitspraak is over twee weken. Ik ben blij dat de Officier heeft aangestuurd op psychiatrische behandeling. Want iemand na het einde van de straf de straat op schoppen zonder enig sociaal vangnet, dat gaat zeker mis. Met de maatschappij én met de man zelf.
We hadden even oogcontact bij zijn vertrek, de vermeende dader en ik. In zijn blik zag ik berusting. Wie weet komt het met goede begeleiding ooit nog goed? 
Zolang er leven is…

Op weg naar het station hield ik mijn tas goed vast. Je moet een beetje oppassen tegenwoordig.




woensdag 26 maart 2014

Nieuwe hoop


Wanneer heb je voor het eerst in je leven iets nieuws gedaan? Is het toevallig dat die Dagelijkse Gedachte (waarop ik me in een achteloze bui heb geabonneerd) vandaag in mijn mailbox staat?  Of hecht ik er simpelweg nu meer aandacht aan dan andere dagen? Omdat de vraag zo actueel is?


Het poortje ben ik al tientallen keren gepasseerd. Maar nu voelt het anders. Een andere gevangenis. Andere bewakers. Maar vooral, een nieuwe gedetineerde.
“Is dat hem?”vraagt de bewaarder die me voorgaat naar de bezoekzaal.
“Geen idee! Ik heb hem nog nooit gezien.”
Fronsende wenkbrauwen. Maak ik een geintje? Dan druppelt het langzaam door dat ik geen familie ben.

Even later balanceer ik op een onhandig draaikrukje, net een beetje te hoog. Omdat ik – zelf ook onhandig – niet zo snel ontdek wat de juiste richting is om het lager te draaien – laat ik het maar zo. Ter linkerzijde een stelletje, hij met armen blauw van de tattoos, hellend naar elkaar. Lastig, met dat transparante perspexplaatje ertussen.

Nog lastiger om tegenover iemand te zitten die je (nog) niet kent.
“De eerste keer raad ik de familiezaal aan,” klonk als bindend advies van de maatschappelijk dienstverlener van justitie. Me daarin schikken vind ik wel zo veilig. Onbekend maakt onbemind, en wie weet draagt hij zo’n grote dosis boosheid in zich die zomaar tot ontpopping kan komen. Ik weet niet waar de trigger ligt, en dat is bijna gevaarlijker en in ieder geval een minder controleerbaar wapen dan het meest ingenieuze pistool. Interne woede, die is niet te fouilleren en staat altijd op scherp.


Aftastend kijken we elkaar in de ogen. Wat leest hij in mijn blik?
Ik zie een verwarde man. Hij weet niet waarom hij hier zit. Toevallig opgeplakt, de verkeerde plaats op het verkeerde moment. Zijn familie woont in een andere stad, honderd kilometer hier vandaan. Inderdaad niet om de hoek. Maar vooral de gevoelsmatige afstand voelt ver als ik hoor dat niet één van hen de moeite neemt om even bij hem op bezoek te komen.

Uit summiere achtergrondinformatie weet ik dat het de zoveelste keer is dat hij vastzit. De personificatie van recidive? De komende tijd gaat we een uurtje per twee weken onze levens delen. Ik ben vooral erg benieuwd naar zijn leven dat hiervóór ligt, wat hem uiteindelijk hier heeft gebracht.
Is het waar dat hij is weggelopen uit de psychiatrische inrichting waar de behandeling nog lang niet klaar was? Klopt het dat hij niet eens weet waar zijn eigen kind woont? Hij lijkt in ieder geval genoeg in de war om me voor te stellen dat het waar kán zijn.


Na overleg met Gevangenenzorg bel ik later de beoogde inrichting. “Misschien heeft hij hier gezeten, misschien is het telefoonnummer van zijn kind hier bekend. Misschien is er een reden dat hij dat niet heeft. Misschien…” luidt het begrijpelijke respect van privacy. Het mij gegeven adres geeft een glimpje houvast.


Eén ding is zeker. Vandaag ga ik weer naar hem toe. Nu maar hopen dat het is toegestaan één enveloppe, één gelinieerd A-viertje en één postzegel mee naar binnen te nemen. Hem wat hoop geven, dat is het minste wat ik voor hem kan doen.








maandag 19 augustus 2013

Dwalende door het paleis


Vorige week was ik in het Paleis van Justitie, gelegen aan het Amsterdamse IJ. Binnenkomen bleek niet moeilijk. Voor ik het wist zat ik - na balie en poortje - op de eerste verdieping, te wachten op ‘de zaak’. Dé zaak ja, want ik was een vrouw met een missie. Ik had connecties met de dader, en dat maakt zo’n proces toch meteen een stuk persoonlijker.


Voor de verschillende rechtszalen was het een drukte van belang. Mensen wiebelden onrustig van het linker- op het rechterbeen, terwijl de toiletten toch dichtbij waren. Maar ja, nervositeit over de uitspraak raak je daar niet kwijt. Pas toen ik beter luisterde naar de flarden van een gesprek ter linkerzijde, drong tot me door waar het over ging.
“Zijn vader heeft mij dus zo hard geslagen, dat ik er nu nog last heb.”
“Maar dan moeten we er ook bij vertellen dat hij pas ook zijn buurman heeft aangereden.”
“Ja, en dan zeg ik dat die nog steeds pijn heeft in zijn been.”
Een andere wereld, met andere waarden?

De meeste aandacht trokken de mannen en vrouwen die binnen kwamen rennen in casual spijkerbroeken en zeulend met grote boodschappentassen. Vlak voor de bodebalie trokken ze daar geroutineerd zwarte lappen uit tevoorschijn die me deden denken aan een boerka. Wit servetje omgeknoopt en … ze waren advocaat.

Toen onze ‘zaak’ werd aangekondigd, schoven de mensen die ik familiaire betrekkingen toedichtte, aan de rechterkant. Als vrijwilliger van Gevangenenzorg had ik de linkerbank voor mij alleen. Comfortabel werd het niet, dat harde hout.  

Het leek of iedereen de adem inhield, wachtend op de komst van de dader. Gek om hem zo te zien, gechaperonneerd door twee bewakers. Na vele gesprekjes in het bezoekerskamertje in de gevangenis was hij voor mij allang niet meer de man met de initialen uit de krant, veroordeeld tot vier jaar. Dat deze voor Nederlandse begrippen lange straf geheel terecht was, daarover bestond geen twijfel, aldus de advocaat-generaal. Een grijze vrouw met een koude blik die de aanklacht voordroeg, zonder enige emotie in haar stem.

Ik zag de rug van de aangeklaagde even verstrakken. Maar hij slaagde erin zijn hoger beroep te motiveren. Door te vertellen hoe hij zichzelf had teruggevonden in de gevangenis, na een leven vol met drugs. Hoe alles anders was geworden sinds hij vader is. En vooral, hoeveel spijt hij had over zijn daad, gepleegd in een vlaag van verstandsverbijstering, nota bene officieel aangetoond met psychologisch onderzoek. De ogen van de rechter keken aimabel en vooral wijs. Levenswijs. Ze lichtten even op bij de geboorte van het dochtertje, maar de advocaat-generaal bleef bij haar standpunt. “Geen reden voor strafvermindering.” Onvermurwbaar als het stenen tijdperk. Wie zonder zonde is, werpe de eerste?

Van de twee weken wachttijd is nu de helft om, en ik hoop dat de balans doorslaat naar de goede kant. Begrijpt dan niemand dat deze jonge vader liefst zo snel mogelijk voor zijn dochter wil gaan zorgen? Hem zo lang mogelijk opsluiten, daar wordt toch niemand beter van? Ook niet de maatschappij?

Net kreeg ik een mailtje van een medewerker van Gevangenenzorg. “Ik had vorige week een bizarre, maar ook leerzame ervaring. Ze wilden me beroven bij het pinnen. Gelukkig zijn ze op basis van hun nummerbord snel gepakt. Benieuwd hoe die rechtszitting straks verloopt. Ik heb al wel via Slachtoffer in Beeld kenbaar gemaakt dat ik graag eens met ze wil praten. Misschien wel goed zo weer helder te hebben dat we werken voor mensen die echt rotstreken uithalen!”