Posts tonen met het label toekomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label toekomst. Alle posts tonen

maandag 16 september 2013

De brug



Wanneer mijn vader overleden is,
ontbreek ik aan zijn graf.
Verleden dat weer even heden is,
en dit mijn verdiende straf?

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
haar handen hulpeloos op de brug.



Nog even terug in het verleden.
Deed ik niet genoeg mijn best?
Wat er is toch zeker wel een reden,
waarom ik nooit zo goed was als de rest.

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
haar handen hulpeloos op de brug.

In moeders ogen moet je kunnen lezen,
hoe verschrikkelijk veel ze van je houdt.
Haar blik kan ik nu zelfs nog vrezen,
een waarheid die me levenslang benauwt.

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
haar handen hulpeloos op de brug.

Die eeuwige vraag van ‘hou je ook van mij?’
en niet weten wat ‘grote mensen’ bedoelen.
Toch ligt het antwoord vaak verdacht dichtbij.
Als kind kan je - zonder woorden - voelen.

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
haar handen hulpeloos op de brug.



Vaders levensboom is afgekapt.
Heeft hij de hemel nog bereikt?
Dat zijn ziel nu vrij is, en ontsnapt,
is een gedachte die verrijkt.

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
haar handen hulpeloos op de brug.

Ik plant een kastanje bij de oude boerderij,
nieuw leven met een nieuwe kans.
Zo'n symbool in ‘the circle of life’ stemt blij,
middenop de brug doe ik een levensdans.

Wat ik op ‘t spoor naar vroeger vind,
goed begraven pijn komt terug.
Voor even weer dat spek-en-bonenkind,
handen hulpeloos op de brug.



Maar de brug leidt naar de andere kant,
volop vrijheid om een eigen weg te kiezen.
Hoog tijd om het leven te pakken, want…
’t is tijdverspilling om te blijven kniezen.

Dat spek- en bonenkind van toen,
krachtiger dan ooit bovenop die brug
Omzien wordt gereduceerd tot visioen,
ik ga voor geen goud meer terug!

Niet altijd vanzelfsprekend,
liefde en een zoen,
die moet je soms echt verdienen.
Maar wat het óók betekent,
als je zó je best moet doen,
dan werkt je jeugd als…

trampoline!




woensdag 21 november 2012

Robot met rimpels



Lang geleden had mijn oma een robot. Nee, niet zo’n remake naar de menselijke maat, maar een technische constructie van metalen rechthoeken, voor armen en benen, en vierkanten voor romp en hoofd. Tijdens logeerpartijen haalde ze dit dure speelgoed weleens tevoorschijn. Met krakende scharnieren bewoog hij zich door de kamer, zijn voeten soms vasthakend in het tapijt. Zelfs als hij zijn evenwicht verloor en zijwaarts stortte, bleven zijn benen gewoon doorlopen in de lucht. IJzerenheinig onbewogen. Het mooiste was het vlammetje in zijn buik, dat je door een klein venstertje kon zien. “Een vuursteentje,” benoemde mijn grootmoeder de warmtebron die ik als kind niet goed begreep. Eigenlijk nog steeds niet.



Tegenwoordig staan we voor heel andere robots in vuur en vlam. De looks van de nieuwe generatie kunstmensen is nauwelijks van ‘echt’ te onderscheiden. Waren het eerst vooral als astronaut aangeklede spelers in de science fiction films, tegenwoordig doet robotisering haar intrede op steeds meer velden van ons dagelijks bestaan. De robotarm in de fabriek, onvermoeibaar voor programmeerbare werkzaamheden, en nimmer gevaar van RSI. De robot in de zorgsector om verzorgenden het fysiek zware werk uit handen te nemen. En niet te vergeten de robot in de operatiekamer, voor chirurgische ingrepen op plekken die voor mensenhanden moeilijk bereikbaar zijn.

Stiekempjes denk ik zelfs weleens aan de robot achter ‘het raam’. Onvermoeibaar en altijd in vorm. Uiting van een verdorven geest? Maar niet volledig onrealistisch, als je ziet dat de buitenkant van de robots van nu met gemak kan wedijveren met een supermodel.

En de binnenkant? Ook daaraan wordt hard gewerkt. Robots stampvol kunstmatige intelligentie bezitten een brein dat fungeert als het ultieme model van de mens. Als je in ogenschouw neemt wat mensen elkaar kunnen aandoen, vergt het weinig fantasie te denken dat sommige exemplaren van vlees en bloed minder gevoel door hun aderen hebben stromen dan zo’n ingenieus voorgeprogrammeerde roestvaste broeder.

De robot wordt niet alleen steeds meer mens. De mens wordt ook steeds meer robot.
Het plaatsen van een pacemaker in het hoofd schijnt iemand voorgoed van depressieve en naargeestige impulsen te kunnen verlossen. Ook aan de buitenkant laten we niets meer aan het toeval over. Borsten die gaan hangen? Trotseer de zwaartekracht met implantaten. Geloken oogleden? Optrekken die boel! Rimpeltjes rond de lip, afhangende mondhoeken, een zich verdiepende plooi bij de neus, ingevallen wangen? Allemaal weg te spuiten, te liften en te hermodeleren. Dergelijke kunstgrepen maken het onmogelijke tot waarheid: vijftigplussers die door het leven springen als dartele dertiger.

Mens en robot groeien steeds meer naar elkander toe. Is dat niet gevaarlijk? Weten we straks nog wel het verschil? Ach, misschien moet ik gewoon blij zijn met wat ‘we’ allemaal kunnen tegenwoordig.

Wat mij nou écht het summum lijkt, is een robot die gewoon oud kan worden. Eentje met lachrimpeltjes in het gelaat, zodat je ziet: deze heeft gelééfd.
Of nee, dat is toch wel een erg eng idee.


woensdag 22 augustus 2012

Zonder geld zijn we allemaal rijk




Het leven kan zo simpel zijn. Waarom zouden mensen zich zo’n beetje het hele jaar ‘in het zweet huns aanschijns’ over de kop moeten werken om twee weken ver van huis in een tentje onder een boom te bivakkeren? Terwijl ze dat eigenlijk het hele jaar kunnen doen. Zolang ze dan ook maar genoegen nemen met dat canvas doek en het plastic matje. Dag in dag uit!



En daar gaat het meteen al mis. Want zelfs bij de meest basale levensbehoeften – zeg maar het fundament van de piramide van Maslow, die zo veelgebezigde beeldende opstapeling van mensenwensen – loopt het al in het 100. Want als je geen geld kan neertellen, komt het dagelijks brood dan wel voor de bakker? En worteltrekken bij de groenteboer? Ook dat gaat niet voor niks.

Ja, voor niks gaat de zon op. Maar als je geen geld hebt voor een zonnebril of smeersels om je huid te beschermen tegen verbranding of nog erger, lijkt er weinig te genieten.
Zelfs de welbewuste wensenlijsten die we maken in een idealistische bui – ‘gelukkig zonder geld’ – geven te denken. Een lekker warm bad als het regent of koud is. Met een goed boek op de bank. Nieuwe mensen leren kennen in een café. Allemaal leuk. Maar wie betaalt water en elektriciteit? Het boek? En niet te vergeten, het gelag? Zoete lieve Gerritje? Ja, m’n neus! Die wil ook weleens wat anders dan zo’n klapperend tentzeil.

Het gekke is, rijkdom is relatief. Straatarm omringd door andere arme sloebers, is er weinig aan de hand. Maar zodra één van hen de financiële kop iets boven het maaiveld uitsteekt, schijnen we ons ineens te realiseren wat we missen en groeit de behoefte aan méér. En de angst voor de toekomst.

Kan het gewoon, relaxed achteroverleunen in het vertrouwen dat ‘het’ allemaal vanzelf goed komt? Of zitten er zulke grote gaten in het vangnet van onze welvaartsstaat dat ze niet meer te dichten zijn? Eh… boeten, heet dat niet zo bij het repareren van netten?
Nou, en dát ben ik eigenlijk niet van plan; boete doen door het bedenken van allerlei doemscenario’s en geloven dat levensgeluk alleen afhangt van stapels biljetten en rammelende munten waar je toch maar je tanden op stuk bijt.
Zonde van de tijd.
En tijd is geld.
En daarmee is de cirkel rond.

‘Zonder geld zijn we allemaal rijk.’ De gedachte dat het zomaar zou kunnen, is eenvoudig onbetaalbaar. Daarin geloven, al is het maar even, geeft een fantastisch fijn gevoel. Helemaal gratis voor niks.
En daarna weer over tot de orde van de dag: aan het werk en vullen die ouwe sok.



maandag 9 januari 2012

Vluchten kan niet meer…

Het gaat slecht met Nederland. Met heel West-Europa eigenlijk, maar je eigen pijn voel je het meest. Terwijl de werkloosheid stijgt, moeten we steeds langer blijven werken.
Die 130 kilometerperuurzones hebben ook nog bitter weinig opgeleverd. We staan uren in de file, zelfs midden op de dag. En wie een huurhuis hoopt te betrekken, staat met een beetje pech zelfs jaren in de wachtrij. Straks genieten van een rijkelijk relaxte oude dag? Met die bevroren pensioenen staan we straks allemaal in de kou.
Waar moet het naartoe met onze maatschappij? Met al die stromen buitenlanders die hier ook nog een nieuw bestaan hopen op te bouwen?
En dan… voor een reportage voor en blad van UWV bezoek ik een asielzoekerscentrum. Mensen uit de hele wereld bijeengebracht in een nieuwe maatschappij op mini-formaat. De monden in door het leven getekende gezichten spreken allemaal een eigen taal, in diverse gradaties gelardeerd met Nederlandse woordjes. Zo, van nabij, vervagen culturele verschillen en zijn mensen niet langer anonieme ‘vreemdeling zeker die verdwaald is zeker’. Als ze een gezicht krijgen, ontstaat echt contact. Eventjes zelfs hecht contact.
Vooral omdat het weinig fantasie kost me deze kleurrijke mengeling van mensen te verbeelden in hun eigen omgeving. Als de personificatie van de zo veelgeroemde hartelijkheid die gebruikelijk is in den vreemde.
Versgezette thee in een mok met een scherf eraf. Een afgescheurde homp van het versgebakken brood. Of een stralende lach van een tandeloze mond voor onze digitale camera. Zijn al die kleine verrassingen waarmee de authentieke bewoners ons daar ‘thuis’ laten voelen, niet de mooiste herinneringen aan onze vakantiereizen naar exotische bestemmingen?
Andersom, hoe ver de aanleidingen voor hun vertrektochten ook uiteenlopen, met vakantie hebben ze weinig te maken.
“Al op mijn zestiende verliet ik mijn geboorteland. Blijven was te gevaarlijk omdat mijn politieke denkbeelden niet strookten met de zittende regering.
“Dat we in de beginperiode nauwelijks contact hadden met onze achtergebleven familie, was moeilijk. Zeker nadat ik ontdekte dat ik zwanger was.”
 “Als ik eenmaal een vast inkomen heb, hoop ik dat ook mijn vrouw en dochtertje van vier naar Nederland mogen komen”

“Toekomstperspectief en vrijheid voor onze kinderen, een vroegere wens, is in Nederland waarheid geworden.”

Flarden van gesprekken echoën nog lang na in mijn hoofd. En als ik mijn ogen sluit, zie ik die andere ogen met daarin de weerspiegeling tussen hoop en vrees, omdat het onmogelijk is om terug te keren naar het land waar je niet meer leven kan.
‘Vluchten kan niet meer’*. Vast geen toeval dat dit lied zomaar komt bovenborrelen.
Maar eigenlijk klinkt nog meer de weerklank van die ándere regel.
‘Schuilen kan nog wel, schuilen bij elkaar.’

Hoe armer hoe gastvrijer, wordt weleens gezegd. Ik hoop zo dat het klopt, óók hier.
Kan dat misschien het voordeel zijn van de tijd waarin de files groeien, de pensioenen worden afgeroomd en het allemaal een beetje minder wordt?

*Van Frans Halsema & Jenny Arean