Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

La dolce vita, ofwel: de zoete nasmaak van Citroeneiland

Vanuit het vliegtuigraampje ben ik er even, daar waar altijd de zon schijnt. Het heeft iets vrolijks: in de wolken zijn. Maar voelt meer als iets van weemoed, waarmee mijn ogen staren naar de witte dotten, vanuit het ronde patrijspoortje in het luchtschip dat ons onherroepelijk terugbrengt naar waar we thuishoren. Alsof er iets van mezelf is achtergebleven, daar waar we even waren, Sicilië. 


Die weemoed komt door uitgewisselde blikken, glimlachjes of soms een ernstig gezicht. Dat ik weinig weet te zeggen, maakt niet uit. Ogen van mensen spreken een eigen taal. En wat te denken van de felgekleurde bloemen, paars en rood aaneen. Inspiratie hangt hier zomaar voor het grijpen, en geeft saaie grijze en beige muren een ander gezicht. Maar het zijn toch vooral de kleurschakeringen van de mensen die me aanspreken.
“Fijn weekend.”
Een domme opmerking van mij tegen de Indiase man die ons appartement schoon maakt. Hij hééft geen weekend, zijn uren rijgen zich in eindeloze tred aaneen, iedere dag gelijk. Ik hoef niet dagelijks een nieuwe handdoek met de afmeting van het grondzeil van een flinke familietent. Zijn gulle glimlach maakt duidelijk dat hij het begrijpt.

Hoe anders begon onze logeerpartij op Sicilië, ook wel bekend als het rijk van de maffiosi? Het was al donker toen we met onze huurauto kwamen aanrijden bij het imposante hek met camera en afstandsmechanisme. Sesam open u, en zie daar: het paradijs. Maar er hing geen passion in el paradizo. Paniek! En veel parole, en daar was geen woord Nederlands bij. Tutti problemi, maar gelukkig ook een ‘solvi’ uit de mond van de oudere heer die ons meetroonde naar een kamer met zoveel pracht en praal dat het makkelijk de geheime ontmoetingsplaats van kopstukken uit de onderwereld had kunnen zijn. 




Hoe anders de sfeer in het piepkleine schuurtje waar hij ons heen bracht. Met veel handgebaar werd ons te verstaan gegeven achter hem aan te rijden, over hobbelige grindweggetjes en zo eindigden we in een kamertje, zo klein, dat we over de koffers moesten klimmen om in of uit bed te gaan. Dat heb je er nou van als je niet bereid bent tot ‘light travel’.



Twee handdoeken die normaal gesproken bij ons op het toilet hangen, gaven het woord ‘gastendoekje’ een geheel nieuwe invulling. Niks geen uitzicht op zee vanuit het karakteristieke, antieke Italiaanse huis met de lommerrijke tuin. Eigenlijk was het zo absurd dat ik alleen maar kon lachen, met in gedachten de ándere benaming van Sicilië door een goeie vriendin: Citroeneiland. The place to be voor deze filosofie:



Dat er ook wel degelijk veel te lachen valt, bewees onbedoeld de volgende morgen de spastische jongen in een rolstoel, die we aantroffen op een plein in Catania. Omringd door een compleet blazersensemble deed dit denken aan de Italiaanse variant van ‘Uw droomwens vervuld’. De bevroren blije blik op zijn gezicht had vast veel te maken met zijn ziektebeeld, maar dat hij genóót was duidelijk te zien.




Ook onze wens werd die avond vervuld, bijna. De kamer met dakterras hoorde nog steeds niet tot de mogelijkheden, maar het terrasje op de begane grond was een goed alternatief. Zeker met alle versnaperingen die een paar keer per dag uit een verrassende hand om de muur werden gepresenteerd door de Italiaanse ‘madre della casa’, van versgeperst sap tot home made croissants en marsepeintaartjes. De ochtend van vertrek wilde ze wel graag een tegenprestatie, zoete broodjes bak je tenslotte niet voor niets. Die goede beoordeling op Tripadvisor komt er!





Voedsel voor de geest, daarvoor zorgt de oudste dochter van het familiehotel in Castellamare del Golfo. De serveerster aldaar bij het ontbijt moest diep graven in haar zeer beperkte Engelse dictionaire om ons duidelijk te maken wie dat mooie plafond heeft beschilderd; een vriendin van de dochter. Als we even later langs de balie lopen, helpt die ons met veel overtuigingskracht uit de droom. Zij hééft helemaal geen vriendin. De felheid waarmee ze het zegt, geeft te denken. Bovendien, ‘friend’ is toch een keurig, seksloos woord?
De appartementeneigenaar op het volgende adres zit nergens mee. Hij haalt zelfs alles uit de kast om ons tussen de regels te laten weten hoe het zit. Als we nog vragen hebben, kunnen we de volgende dag terecht bij zijn partner, Mr… Hij geeft er nog nét geen knipoog bij.

Verschil moet er wezen. Dat zien we ook op de vismarkt in Catania. Op het eerste gezicht verbazen we ons tegen het einde van de dag dat die grote witte brokken koelijs nog niet gesmolten zijn. Bij tweede blik blijken het plastic zakken. De Indiase man die, met toestemming van de vishandelaar die zijn houten werkblad staat schoon te schrappen, tussen de kramen door zijn kostje bij elkaar scharrelt, weet dat allang. De zakjes vult hij, letterlijk, van kop tot kont, terwijl zijn maat hem staat te commanderen vanaf de trap. Kennelijk een treetje hoger op de maatschappelijke ladder? Aan zijn handen kleeft geen bloed, maar als er vanavond een geurige bouillabaisse op tafel staat, is hij vast van de partij.




Dat er verschillende wegen naar Rome leiden, was algemeen bekend. Dat de jetset van Sicilië een eigen sluiproute (met, alweer, zo’n hermetisch gesloten toegangshek met camera) heeft naar het luxueuze strand van Taormina zie ik pas als wij een eind zijn omgelopen. Van de parkeerplaats beenschurend langs de vangrail, over lange trappen afdalend naar het walhalla waar de gegoeden der aarde (is het mijn slechte inborst dat ik toch weer aan die maffia moet denken?) allang zitten, nippend van de witte wijn en met zicht op Isola Bella.


Of daar het paradijs is, heb ik niet kunnen ontdekken. Daarvoor blijven we tekort en een regenbui met grote dreigkracht nodigt ook niet uit om je neer te vleien op een van de duurbetaalde strandstoelen. Die blijven dan ook allemaal leeg. Zelfs de cruiseschepen blijven op grote afstand van de kust balanceren.




Het paradijs, dat zoeken er meer. Maar om er bruin te worden, hoeven zij zich in ieder geval niet in te spannen, de drie donkere mannen op de boulevard van Marina di Ragusa. Naast elkaar zitten ze op een betonnen muurtje. Horen, zien en zwijgen. Dat stilzwijgen blijkt makkelijk te doorbreken door alleen maar gedag te zeggen. Eentje rent achter ons aan, wil wel even een praatje maken. Zijn levensverhaal is heel veel meer. Drie jaar terug heeft hij zijn vader- en moederland, Gambia, verlaten voor een gelukszoekertocht met onbekende bestemming. Zijn vrouw en twee kinderen heeft hij noodgedwongen moeten achterlaten, en dus al die tijd niet meer gezien. Later, op Google Earth, zie ik de contouren van zijn eindeloze trip over het Afrikaanse vasteland. Vanuit Tunesië heeft hij de oversteek kunnen maken naar het Italiaanse eiland voor 800 euro. “Ik wil geloof ik niet weten wat hij daar allemaal voor heeft moeten doen,” is de reactie van iemand met wie ik dit deel. Inderdaad een exorbitant bedrag; daarvoor bivakkeer ik een week in een goed middenklasse appartement, inclusief vliegtocht.
Hij heeft zijn bestemming bereikt. Maar nu hij dan eindelijk is aangespoeld, begint eigenlijk het echte roeien pas. Tegen de stroom. Hij frommelt een papiertje onder onze neus, omhuld door een gelig verkleurd plastic mapje. Een diploma. Wat me als eerste opvalt, is de Nederlandse naam van de ondertekenaar. Ballast Nedam is het bedrijf, waaraan de man in zijn vorige leven zijn diensten heeft verleend. Hij heeft een vak in de vingers, reparateur van airco’s. Dat komt hem hier in het zonnige zuiden goed van pas. Alleen… het wachten is nu op een werkvergunning. Tot die tijd viert hij vakantie, met gratis kost en inwoning, in het overvolle asielzoekerscentrum waar hij wel internet heeft. Nog diezelfde avond hebben we contact via Facebook. Behalve zijn naam heeft hij me zijn geboortedatum gegeven om het zoeken te vergemakkelijken. 
Pas met het papiertje met die datum erop dringt het tot me door: hij is maar anderhalf jaar ouder dan mijn dochter. Dat hij de ‘goeie’ is (er zijn meer honden die fikkie heten) blijkt uit zijn antwoord. “Ik ben voor het eerst in Europa, en zie jullie als mijn vader en moeder.”



Veel honden gaan denk ik trouwens naamloos door het leven in Sicilië. Thuisloos ook. En baasloos. In die hoedanigheid hebben ze de vrijheid om hun eigen route te kiezen, maar waarheen en waarvoor? Schurftig en mager scharrelen ze vooral hun kostje bij elkaar. Bij de ruïne van een visafslag in Avola wijkt er eentje nauwelijks van mijn zijde. Alleen om af en toe even in zee te stappen, misschien vanwege pijn of jeuk? Rillend zoekt hij wat verlichting. Op zo'n manier is het vast niet fijn een 'zeehond' te zijn.
Niemand gaat met hem naar de dierenarts, en lafhartig stap ik aan het einde van ons wandelrondje in de auto. Hem meenemen in het vliegtuig is geen optie, maar het voelde bijna vertrouwd, zo’n viervoeter aan mijn zij.


Heel anders is het met de Italiaanse poezen. Die keuren me geen blik waardig en piekeren niet over intimiteiten met een vreemde. Tot de dag dat ik met iets op de proppen kom, nota bene een ‘doggiebag’. Midden in Castelmola. In dat ministadje op de hoogste rots, ontdekken we een pizzeria met vier tafeltjes, en evenveel bediening. Beurtelings verschijnen grootmoeder, grootvader, (schoon)dochter, (schoon)zoon (wie de ‘warme’ kant is, is lastig te raden want ze vormen een hecht team) bij onze zitplek. Geen enkele strijd, zelfs niet die van de taal, om duidelijk te maken dat de pizza’s heerlijk smaken, maar dat we zo graag de rest mee willen nemen. Bijvoorbeeld in een stukje papier. Zonder omhaal van woorden, maar met een des te grotere armzwier tovert nonno (opa) een professionele bewaardoos tevoorschijn. Het plaatje op het deksel is net een schilderij. Als de lokale pizzabezorger loop ik verder. Niemand toont interesse, behalve de poezen op een pleintje. Je afkomst verloochen je niet. Bij die bekende geuren hebben ze wel ineens neus naar nadere kennismaking. Luid grommend naar elkaar worden de pizzastukken gebroederlijk verscheurd.





De Italiaanse man die tussen de plantenbakken naar buiten komt, haalt zijn neus op voor het geknoei voor zijn deur, maar moet gelukkig ook een beetje lachen om die mallotige toerist die op haar knieën voor de deur zit. Ik weet, ladylike is niet zo goed gelukt.




En toch, in de intense blikken van de heethoofdige Romeinen, voel ik me soms wel eventjes een echte vrouw. Als ik dat ’s avonds wil delen met een vriendin op die irritant betweterige tablet, geeft deze er zo’n tekstuele draai aan dat het nog mooier wordt verwoord dan ik in gedachten had: ‘Charm Riante Italiaanse mannen’.
En de Italianen, die hebben er kijk op. Dat zijn de mannen van het design. Kijk maar naar de autobranche. Toegegeven, alle auto’s hebben daar weliswaar andere modellen dan wij standaard gewend zijn, maar dat komt dan wel vooral door alle butsen en deuken in het chaotische verkeer.

Ook wij ontspringen niet de dans. Op de vroege ochtend waarop wij inparkeren voor een dagtochtje van Trapani naar het eilandje Favignana, maakt de naast staande auto een abrupte schijnbeweging. Klaboem, zijn kont hoppa in onze achterdeur. Geen Italiaan, maar vier testosteronbommen uit Amerika komen tevoorschijn, drie maanden lang op vakantie in la bella Italia. Veel papierwerk, handengeschud (na WOII gaan wij geen ruzie meer maken met de yankees) en nu maar hopen dat de verzekering betalen gaat. Vanaf dat moment begeven wij ons ook gepokt en gemazeld door het Italiaanse verkeer. Als perfect undercover buitenlanders gaan we op in de massa.





De oversteek naar Favignana is wat vertraagd, maar even later gaan we toch aan boord van zo’n supersnelle catamaran die scheef gaat hangen en grote spetterende golven maakt. 



Mijn ogen blijven vooral hangen aan dat bordje van de reddingsoperatie voor als het fout gaat. De vorige dag zijn er 400 bootvluchtelingen verdronken voor de Italiaanse kust. Bij hen hingen er vast niet zulke bordjes aan boord, laat staan reddingsbanden.



Als het paradijs betekent een blauwe baai omringd door rotsen, paar bootjes voor de kust en bijna in je eentje zwemmen, dan ligt het op Favignana. 
Veel mensen heb ik tijdens die twee weken op Sicilië in de ogen gekeken. Bij de jongen bij wie we onze huurfiets voor een dag terugbrengen, lukt dat niet. De zijne zijn verstopt achter een glimmende bril waarvan de glazen (groengeel, beetje citroen?) perfect passen bij zijn T-shirt. De reden waarom ogen zo fascinerend zijn? Misschien omdat we onszelf erin kunnen spiegelen. Dat lukt nog beter in die shiny vensters. Hij poseert geduldig en met gulle lach voor mijn camera en zo zie ik mezelf dubbel, het paradijs op de achtergrond. Een glimpje van zijn jeugdige vrolijkheid neem ik in gedachten mee, zijn voorraad is nog boordevol en wordt vast weer aangevuld.



Ik pak mijn koffer en neem mee… Aan het einde van die twee weken in omgekeerde volgorde. Al die flarden van gedachten, ontmoetingen, geluiden, geuren maken een potpourri die hopelijk lang zijn kracht behoudt. Tuurlijk, er waren meer hoogtepunten, zoals een tocht naar de krater van de Etna. Spectaculair en indrukwekkend. Toeristengidsen zat met tips over ‘to do on Sicily’, maar vooral de kleine dingen zijn van groot belang. Omdat ze herinneringen kleuren op een eigen manier.
Ook het geluid van de saxofoonspeler op een statig plein in Palermo gaat mee terug. Hij liet me geluidloos huilen achter mijn zonnebril, want even stond ik weer aan de Oude Gracht in Utrecht te luisteren naar een conservatoriumstudent die zo mooi ‘The Girl from Ipanema’ speelde, het lievelingslied van mijn vader. Op mijn verzoek kwam de jongen als verrassing naar het jubileumbruiloftsfeest van mijn ouders omdat ik toen nog hoopte op een goede toonzetting in onze relatie. Vakantie brengt je uit je comfortzone, maar ik was nogal hardleers om me eindelijk te willen realiseren dat ik zo’n basis eigenlijk niet had. Wat je niet kent, dat mis je ook niet meteen. Pas later zag ik ze scherper, de contouren van mijn jeugd.




Maar geen cactus zonder stekels en ook citroenen smaken best een beetje zoet, als je maar hard genoeg doorbijt. En – always look at the bright side of life – zo’n leegte maakt meer ruimte voor mooie ervaringen. 
Vanuit het vliegtuig zie ik het patchwork van gekleurde velden, beeldend voor de couleur locale in Sicilië. Eventjes heb ik mogen mee vliegen met de levens van andere mensen. Raakvlakken zijn er altijd, als je hen maar dichtbij genoeg laat komen. 


Een computer heeft ze niet, dus foto's mailen zit er niet in. Maar de ogen van de SriLankaanse moeder met haar prachtige dochtertje straalden toen we hun portretje lieten zien op het scherm van de camera. De liefde tussen moeder en kind spat er vanaf.


Thuis voelt eventjes als onbekend. Die uitpuilende koffers in de gang komen me wel bekend voor. Die heb ik twee weken achter me aan gesjouwd. Terug van écht even helemaal weg geweest. Dat is de mooiste manier van vakantie vieren. Ik weet dat het maar kort zal duren, het vermogen om ons huis door de ogen van een vreemde te bekijken. Dan val ik weer in het normale ritme, vooral ook omdat dat zo moet. Maar hopelijk blijft wat langer het besef dat niets vanzelfsprekend is.






PS. En zo'n verschil zit er ook weer niet tussen Sicilië en Nederland, want wat staat er de volgende dag voor de lokale Lidl?


(foto's: bijna allemaal door Dick van Pelt)






































maandag 1 juli 2013

Vijf kilo gezondheid, in een bontjas



Terugkomen van vakantie is vaak een rare gewaarwording. Zodra je over de drempel stapt, gaat de knop om. De koffers vol vuile was moeten open, de wasmachine moet gevuld. De computer moet aan, want de mailbox moet geleegd. De persoonlijke post moet worden uitgegraven tussen de stapels reclamefolders en kranten met oud nieuws.  

Onkruid in de tuin, spinnenwebben tegen de ramen, dorstige planten in de vensterbank. Zoveel dingen die om aandacht vragen, schrééuwen…even geen idee waar te beginnen. Waarom lukt het niet dat relaxte vakantietempo vast te houden? Waarom moet er zoveel moeten?

Ineens staat hij middenin de huiskamer. Onze ouwe trouwe rooie kater. Thuis gebleven, omdat hij het haat voor twee weken opgesloten te worden achter de tralies van het dierenpensioen. Dankzij de goede zorgen van de buurvrouw, die dagelijks de bakjes brokken komt vullen, kon hij blijven bivakkeren op zijn vertrouwde stek.
Evengoed werden we vroeger bij thuiskomst vaak wat bozig begroet, wat héét: glad genegeerd. Want het was geen manier om hem in de steek te laten, was de niet mis te verstane taal in zijn felle groene ogen, die de eerste dagen vooral langs ons heen staarden. Oprecht contact, dat moet je verdienen. Dat die negeersessies tegenwoordig niet meer als strafmaat worden gehanteerd, is vooral een zaak van eigenbelang. Want ha, nu kan het aaien direct weer beginnen, zodra we thuis zijn.


Nu is-ie terug, die verwijtende blik. Als sfinxachtig standbeeld heeft katermans zich tussen de vakantiekoffers geposteerd. Als de personificatie van beschuldiging blikt hij naar boven. Pas als hij op stille kussenvoetjes een stukje door de kamer sluipt, valt het me op. Hij loopt op drie poten.
Nog diezelfde middag zitten we bij de dierenarts. Een diagnose stellen blijkt lastig. Na wat knijpen en voelen is er nog niets duidelijk. Zelfs het scheren van het zere pootje (oh wat mager, zonder al dat haar) biedt geen soelaas. Even later staan we oog in oog met levensgrote röntgenfoto’s. Het zou een tumor kunnen zijn, maar laten we uitgaan van de minst erge optie - een ontsteking - stelt de dierenarts gerust. Met een doos vol antibioticapillen, een pijnstillend drankje en een luid miauwende kater rijden we terug naar huis. En bijna 200 euro armer, een fikse verhoging van het vakantiebudget.


’s Avonds laat de patiënt zich koesteren op mijn schoot. Al kroelend door de warme vacht, denk ik bijna automatisch aan wat ik ooit las: het aaien van een hond, kat of konijn is stress-, cholesterol- en bloeddrukverlagend. Dat komt door het vrijkomen van het hormoon oxytocine, luidt de wetenschappelijke vertaalslag. Lekker rustgevend, heet het in gewone taal. De droger roept met indringend gepiep, maar ik heb een goed excuus om te blijven zitten. Even structureel werken aan mijn gezondheid, met een snorrend kacheltje op de knieën. Is er een betere manier van ont-moeten? Deze is in ieder geval onbetaalbaar.


zaterdag 26 mei 2012

Marokko watervast


een kijkje achter de deur van een andere cultuur


In gedachten zie ik ze nog, de piramides van kruiden, kleurrijke blikvangers in kerriegeel en saffraanrood. De verbaasde blikken van de jonge poesjes, hun vacht nog pluizig vers en onaangetast door een nooit meer weg te likken grijzig vuil. Op wiebelige pootjes wankelen zij de woeste wereld tegemoet, soms opgetild door een eeltige hand die hen terugzet achter de veilige beschutting van een roestig wiel.



In mijn hoofd galmen ze na, de doodskreten van de kippen, bij het ochtendkrieken nog rondscharrelend, een uurtje later als poulet in de kraam. Rode guillotineplekken in de nek, kakelverse kip zonder kop. Zelfs de trotse hanen doorlopen dezelfde circle of life. De rauwe kreten van de slachters doen de rest.

Ik ruik ze nog, die karakteristieke luchten van de medina’s van Fes en Marrakech, een mengsel van zoet fruit, kruiden en onbereid vlees. En niet te vergeten de vlagen van versgezette muntthee, klevend aan een mysterieuze ceremonie van inschenken: van zilverkleurig potje in de glaasjes en weer terug. Pas als de suiker in kolossale brokken helemaal is opgelost, is de toverdrank gereed.

Zodra een flard van mijn Nederlandse tongval wordt opgevangen, blijken ze voortdurend op scherp te staan, de verkopers van sierraden, sjaals en andere souvenirs. “Kijken kijken, maar niet kopen. Allesj gggratisj.” En dat ‘allemagggtig pragggtig’ kan ik op het laatst al helemaal niet meer horen.
Maar, wees eerlijk, zou ik anders reageren als er een leger wandelende portemonnees door mijn leefwereld paradeerde? Klikklakkend voor het vastleggen van herinneringen en daarna weer snel terug naar thuis?



Op weg naar de uitgang van die wirwarwereld van een fata morgana stappen mijn slippers door het nat. Maar niet over nadenken wat dat allemaal kan zijn. Op ooghoogte de gul glimmende paprika’s en pepers, op de grond knielend de oude vrouwtjes, rimpelige handjes hoopvol opgehouden, hun prevelende klanken ‘madame, monsieur’ bescheiden zacht. Kleurrijke kleden genoeg, maar geen tapijt om mee weg te vliegen. De enige zekerheid dat iedere dag de zon weer opgaat.



Foto’s maken is soms mensonterend, maar wie weerhoudt me van de feilloze werking van het fotografisch geheugen? De muilezels en paarden op Djemaa el Fna, het centrale plein van Marrakech, wachtend in de brandende zon. Twee aan twee aangespannen bij de koetsjes voor toeristen die de wereld van gekkigheid wil willen beleven, maar liefst op veilige afstand.
Nog erger de zwoegende ezeltjes voor de schillenkar, de rug soms bedekt met littekens van stok of zweep. Geen luxepaardjes, en de menner zelf ziet er niet veel glorieuzer uit.



Tussen al die ezels door weerklinkt een symfonie van eindeloos getoeter brommers, zo nu en dan onderbroken door het ‘Allah Akhbar’ van de imam. Even later zijn er de deinende bergen van mannenbillen. Buigen voor Allah dat doet iedereen.




De lassers, de houtbewerkers, de slachters en vooral de mannetjesmakers; stoer, wijduit en de handen in de zak. De pruttelende potten op het vuur - tajine, de Marokkaanse stoofschotel. Hier is nog tijd voor de maaltijdbereiding, en koken is een mannenzaak. Mijn grootste verbazing betreft de lichamelijkheid van de mannen - zoenen en omhelzen - in een land waar homo’s niet bestaan.



De scheiding der seksen houdt de maatschappij overzichtelijk. Moeders in kleurrijke gewaden, met in hun armen kostbare pakketjes in doeken gehuld. Op weg naar de kliniek op die ene dag dat prikken voor baby’tjes gratis zijn. De vrouwen bukkend bij de beken, omringd door veelkleurige natte doeken. Het vuil spoelt met het water mee.



Nooit vergeet ik de eindeloze glow in the dark van een nachtje slapen onder de sterrenhemel in de Sahara. De eindeloze oasestroken onder de palmen, waar rijke oogsten worden behaald dankzij een ingenieus irrigatiesysteem; via een kanaaltje met zanddammetjes krijgt ieder veldje bij tourbeurt het kostbare water. De oude nomadenman die iedere dag op de brommer water komt halen bij de put, 30 liter in iedere fles. 


Een vakantie is pas eigenlijk echt mooi als die een beetje een ontdekkingstocht is. Dat is gelukt, want ik heb het met eigen ogen gezien: het einde van de wereld. Midden in het Atlasgebergte, het dorpje Imlil, alleen bereikbaar voor stoere bergwandelaars en autorijders met stevige vierwieler en... een sterke maag.



Voor altijd zal ik ze koesteren: de blije blikken van het driejarige meisje naar de zelf geblazen zeepbellen, dansend in de lucht. Ook al is ze geboren in een tent bekleed met oude jassen en een handvat van een jerrycan als deuropener, hoe een bellenblazer werkt begrijpt ze intuïtief. 



Onze supermarkten kunnen er nog wat van leren! De verse bakgeuren in de broodbakkerij waar jongetjes de door hun moeders geknede en met doeken omwikkelde deegballen komen brengen, om te worden afgebakken in de centrale oven. Want ja, een fornuis thuis, dat is voor velen nog een luxeproduct.




Niet alleen in de stad, ook tussen de vele kashba's die als 'zandkastelen' uit het landschap oprijzen, wordt er hard gewerkt door de ezels. 


Ook de paardenkracht van de mensen is imponerend. Dat hier geen sportschool met powertraining in de buurt is, is geen groot gemis.


In het drukke verkeer van Marokko gebeuren verrassend weinig ongelukken. Zou dat komen doordat iedereen zo goed is ingespeeld op de eindeloze slierten auto’s kriskras door elkaar? Ritsen wordt hier niet geregeld met een verkeerslicht, maar met veel handgebaar en bijpassende mopperij en ‘wagga wagga’, ten teken van oké.

En zelfs iets dat er bij eerste oogopslag uitziet als een ernstig verkeersongeval, blijkt gewoon een vermoeide drommedaris die zichzelf even pauze gunt. 



Rondtrekkend door Marokko leer ik ook het verschil te zien tussen de oogopslag van Arabieren en Berbers. De eerste de machthebbers, de pettendragers van de gendarmerie. En de norse blik van de opperober in het grijze pak. Bij iedere afrekensessie op een hooggelegen terras in Marrakech staat hij paraat, aan zijn priemende blik ontsnapt geen enkele dirham.
Hoe anders de zienswijze van de Berbers, het natuurvolk uit de bergen en de woestijn. 


Ook zonder hun trotse blauwe gewaden en tulbanden, gevouwen van tien meter katoen, herken ik de zachtheid van hun diepbruine blikken en tegelijkertijd de kracht waarmee ze zich naar binnen boren. Voor hen is geld niet synoniem met geluk.
Een bewijs is het zilveren bedeltje, het handje van Fatimah voor levensgeluk, gekregen uit een goed hart van een Berberman, ook al kocht ik niets. 
Datzelfde geldt voor de gulle Berber die genoegen nam met mijn allerlaatste muntjes voor een sjaal met gouddraad, gesponnen op grote klossen midden op straat.
I love you,” roept zijn diepe basstem het kersvers geleerde zinnetje achter me aan. Ik weet zeker dat hij liefde heeft meegeweven in zijn kunstig handgeweven sjaal.



De allermooiste souvenirs zijn watervast, want die neem ik voor altijd mee in mijn hoofd en in mijn hart. Als we opstijgen van Marrakech, liggen daar ver in de diepte een heel andere stad en heel ander land dan twee weken terug. Nu hebben deze een gezicht gekregen.


Zodra we landen op Schiphol wordt het geroezemoes overstemd door smartphones voor een snelle melding aan het thuisfront. Pas als mijn eerste SMSje al is weggestuurd, realiseer ik me de gekkigheid van dit jachtige gedrag. Kastjes worden opengerukt, koffers worden opgetild. Geen tijd voor vreugde over een veilige landing, maar haast en stress. In de smalle slurf van het vliegtuig naar de aankomsthal is links en rechts inhalen toegestaan. Topdrukte!

Zelf houd ik even in achter een oude man op sloffen, ondersteund door zijn al even oude vrouw, gekleed in een lange mantel met capuchon. Ze lijken even hulpeloos en niet op hun plaats, maar ik weet precies waar ze perfect passen en voel een soort verbondenheid. Dankzij de kennismaking met een cultuur die zo anders is dan de mijne, maar die ik van heel nabij heb mogen beleven, al was het dan maar even. En dat verandert je beeld... voor altijd!









vrijdag 18 mei 2012


Marocco, through familiar eyes


Sometimes a driver is so much more than just the person who brings you from one spot to the other. We had that lucky experience in Marocco with Said Selman. Landed in Marrakech we felt a little bit ‘unknown’, but picked up by Said in the white Kangoo, things changed in another perspective. Nearly two weeks he was not only our driver, but also our guide, personal host and even very soon: friend.

The tours in the car were so much more than the trip from A to B. Those gave also interesting inside information about Marocco. Said gave answers on all our questions, and he took away all our wondering about a culture which is so different from what we are used to back home, in Holland. Mostly seriously, but also with a tasty dosis of humour, like the meaning of ‘Ouarzazate’ ;-)

It felt a bit like we were just ‘the three of us’ on holiday. Mostly because Said did not hesitate to take us to the secret spots of the real Marocco, and so we saw much more than the superficial touch from most tourists.

It sounds maybe strange that one can be homesick to a ‘far country’, but that is possible! Because Said gave us the chance to see his homeland through his eyes, and to feel Marocco through his heart. That special welcome makes us sad to go, but with adding that one letter ‘i’ it explains the feeling we will think back with: ‘said’, which means: happy!

Thank you so much for your hospitality and friendship, Said. This made our wonderful time in Marocco much more than just some holiday. We will always remember. Why? Well, the best answer on that question you know: why not?

Dick en Linda van Pelt