woensdag 2 januari 2013

Aftuigen



“Oprotten, ik ruk je ballen eraf. Mijn huis uit!” In een film of documentaire word je er soms tijdig voor gewaarschuwd – schokkende beelden – maar in het echte leven kan het er even hard aan toe gaan. Toegegeven, ook niet altijd volledig onverwachts. Is het doordat de opgekropte emoties te lang zijn ingehouden tijdens de kersttijd die vooral vredig moet zijn, dat ze er kort na de start van het nieuwe jaar in één klap uitstromen?

Het is niet toevallig dat de meeste songteksten over liefde gaan. Wij mensen hebben iemand nodig, iemand om te koesteren en bewonderend naar te kijken. Dat is niet gek, maar gewoon heel normaal. Dat zit in onze genen.

Op wat voor type we ook vallen – stevig postuur of slanke den – het begint bijna vaak met die spannende eerste stap: versieren! Als dat gelukt is, klingelt op de achtergrond zachtjes dat vrolijke lied.
`Je bent binnen
Binnen in m'n hart
Binnen in m'n ziel
Binnen in de droom
Die ik met je wil beginnen´

Helaas, zelfs tegenover het zelfverkozen stralend middelpunt van ons leven wordt de veelbelovend klinkende toekomstmuziek niet altijd waarheid. Binnen een maand is het soms alweer bekeken. Zelfs zo´n stoer en onverschrokken type, zo eentje met ballen zeg maar, kan zien aankomen waar het op uitdraait. Een breuk!

Er is een tijd van komen en gaan. Wat dat laatste betekent, wordt snel genoeg duidelijk.
Zomaar van de een op de andere dag is het feest voorbij en komt hij er niet meer in. Dakloos zoekt hij aansluiting bij wat lotgenoten. 
Van het leven op straat raken ze wat viezig en vervuild, af en toe pist er zelfs een hond tegen hen aan. Geen greintje respect. Is dat vanwege die kring van afgedankte naalden om hen heen? Meer dood dan levend kruipen ze bijeen. Nu de vuur en vlam van het liefdesleven voorbij zijn, zoeken ze rillend van koude wat warmte bij elkaar.

Maar op een dag is alle kilte teneinde. Na de ´vrede op aarde´-periode lijkt dit even verdacht op de hel. Maar dan horen zij d´engelen zingen. Een gigantisch inferno doet alle ijzigheid in één keer wegsmelten. Geen wonder dat dit ´vreugdevuur´ heet.

PS.
Aftakelen, afranselen, toetakelen. Ook ik moet binnenkort de strijd aangaan. Oftewel: de kerstboom aftuigen. Zijn hangende takken doen een beetje denken aan een treurwilg. Geen wonder, hij weet wat’m te wachten staat. Tuurlijk heb ik weleens gedacht over zo'n uitvouwbaar kunstexemplaar. Maar elf maanden opgesloten worden in een donkere doos op zolder? Dat is toch ook geen piekervaring.

Gelukkig is het alweer bijna Pasen. Dan gaan we lekker eieren schilderen. 
Is dat niet de beste houding in het nieuwe jaar: vooruitzien? 
Ik wens jullie allemaal mooie toekomstmuziek voor 2013.


maandag 17 december 2012

Pestvrij 2013




Alleen al de klank van het woord doet je de haren te berge rijzen: pest, een gevaarlijke ziekte waaraan naar inschatting miljoenen mensen zijn gestorven. Welke variant het ook betrof  – builenpest, longpest – het besmettingsgevaar maakte vele slachtoffers.

Als er in een huishouden iemand ziek werd, was je lot al bijna getekend: je kon het nauwelijks ontlopen zelf ook de pest te krijgen. Het enige voordeel was misschien de gemakkelijke herkenbaarheid van de ziekte. De symptomen waren duidelijk: hoge koorts, overgeven met bloed, en grote bulten in hals, oksel of lies, die soms verkleurden tot paarszwart, wat pest een bijnaam opleverde: de zwarte dood.  

Ook al was de diagnose snel gesteld, er was bijna niets tegen te doen, want in de veertiende en vijftiende eeuw was er nog weinig remedie tegen besmetting. De enige die zich nog enigszins trachtte te wapenen was de ‘pestmeester’, een man gekleed in een lange donkere jas met zijn gezicht verstopt achter een masker in de vorm van een vogelsnavel. Deze pestmeester verzorgde de zieken, zijn vermomming gevuld met kruiden, vooral om de kwade dampen niet in te ademen.



De eeuwenlang bij tijd en wijle uitbrekende epidemieën liggen inmiddels veilig achter ons, we kunnen opgelucht ademhalen. Wat een geluk dat het voorbij is, die pestperiode.

Maar vorige week kwam er iemand op de televisie die mijn aandacht trok. Het meest fascinerend was de functiebenaming waarmee de man werd geïntroduceerd: pestdeskundige. Geen vogelbekmasker te zien, maar de woorden die hij sprak deden wel degelijk denken aan de uitbraak van een al even gevaarlijke ziekte. Eentje waaraan je kan sterven. Een duister scenario, dat me huiveringwekkend deed denken aan die ‘zwarte dood’.

Eigenlijk is er dus na al die eeuwen nog weinig gewonnen. Het enige verschil is dat nu de slachtoffers zelfs soms geen andere uitweg zien dan de hand aan zichzelf te slaan. Soms zelfs na de behandeling met een goed medicijn, sociale vaardigheidscursus genaamd. 
Mijn wens voor 2013 is dat ze een succesvol middel vinden tegen het ontstaan van de kwaal, want voorkomen is zoveel beter dan genezen. Dat dit nog steeds niet is gelukt, daar heb ik soms de ziekte over in. Die enge, beginnend met een P.


woensdag 21 november 2012

Robot met rimpels



Lang geleden had mijn oma een robot. Nee, niet zo’n remake naar de menselijke maat, maar een technische constructie van metalen rechthoeken, voor armen en benen, en vierkanten voor romp en hoofd. Tijdens logeerpartijen haalde ze dit dure speelgoed weleens tevoorschijn. Met krakende scharnieren bewoog hij zich door de kamer, zijn voeten soms vasthakend in het tapijt. Zelfs als hij zijn evenwicht verloor en zijwaarts stortte, bleven zijn benen gewoon doorlopen in de lucht. IJzerenheinig onbewogen. Het mooiste was het vlammetje in zijn buik, dat je door een klein venstertje kon zien. “Een vuursteentje,” benoemde mijn grootmoeder de warmtebron die ik als kind niet goed begreep. Eigenlijk nog steeds niet.



Tegenwoordig staan we voor heel andere robots in vuur en vlam. De looks van de nieuwe generatie kunstmensen is nauwelijks van ‘echt’ te onderscheiden. Waren het eerst vooral als astronaut aangeklede spelers in de science fiction films, tegenwoordig doet robotisering haar intrede op steeds meer velden van ons dagelijks bestaan. De robotarm in de fabriek, onvermoeibaar voor programmeerbare werkzaamheden, en nimmer gevaar van RSI. De robot in de zorgsector om verzorgenden het fysiek zware werk uit handen te nemen. En niet te vergeten de robot in de operatiekamer, voor chirurgische ingrepen op plekken die voor mensenhanden moeilijk bereikbaar zijn.

Stiekempjes denk ik zelfs weleens aan de robot achter ‘het raam’. Onvermoeibaar en altijd in vorm. Uiting van een verdorven geest? Maar niet volledig onrealistisch, als je ziet dat de buitenkant van de robots van nu met gemak kan wedijveren met een supermodel.

En de binnenkant? Ook daaraan wordt hard gewerkt. Robots stampvol kunstmatige intelligentie bezitten een brein dat fungeert als het ultieme model van de mens. Als je in ogenschouw neemt wat mensen elkaar kunnen aandoen, vergt het weinig fantasie te denken dat sommige exemplaren van vlees en bloed minder gevoel door hun aderen hebben stromen dan zo’n ingenieus voorgeprogrammeerde roestvaste broeder.

De robot wordt niet alleen steeds meer mens. De mens wordt ook steeds meer robot.
Het plaatsen van een pacemaker in het hoofd schijnt iemand voorgoed van depressieve en naargeestige impulsen te kunnen verlossen. Ook aan de buitenkant laten we niets meer aan het toeval over. Borsten die gaan hangen? Trotseer de zwaartekracht met implantaten. Geloken oogleden? Optrekken die boel! Rimpeltjes rond de lip, afhangende mondhoeken, een zich verdiepende plooi bij de neus, ingevallen wangen? Allemaal weg te spuiten, te liften en te hermodeleren. Dergelijke kunstgrepen maken het onmogelijke tot waarheid: vijftigplussers die door het leven springen als dartele dertiger.

Mens en robot groeien steeds meer naar elkander toe. Is dat niet gevaarlijk? Weten we straks nog wel het verschil? Ach, misschien moet ik gewoon blij zijn met wat ‘we’ allemaal kunnen tegenwoordig.

Wat mij nou écht het summum lijkt, is een robot die gewoon oud kan worden. Eentje met lachrimpeltjes in het gelaat, zodat je ziet: deze heeft gelééfd.
Of nee, dat is toch wel een erg eng idee.


woensdag 14 november 2012

De (peper)munt wordt duur betaald



Hoeveel is een mensenleven waard? Tsja, die vraag is lang niet zo eenvoudig te beantwoorden. Bar weinig, als je leest dat er iemand is neergestoken voor honderd euro. Maar gigantisch veel, als een al ingedut leven jarenlang wordt gerekt dankzij de inzet van kostbare hightech apparaten. Veel interessanter is misschien de vraag: wat is het leven onszelf waard?

Hoe zit het nou straks met onze zorgkosten? Degenen met de hoogste salarissen betalen het meest? Die redenering lijkt op het eerste gezicht volledig in de pas met het eerlijkheidsbeginsel. (Hoewel ons kabinet die richtlijn alweer grotendeels heeft laten varen. Niets veranderlijker dan de mensch, en dat geldt kennelijk precies zo voor politici). Maar, hoe zit het dan met eigen verantwoordelijkheid en risico? Maakt iemand die meer verdient gemiddeld meer gebruik van de faciliteiten van de gezondheidszorg?

Ik herinner me nog van vroeger het verschil tussen ‘ziekenfonds’ en ‘particulier’. Mijn vriendinnetje – ziekenfonds – mocht van haar ouders naar de huidarts. Ze kreeg succesvolle smeersels tegen haar acne en alle kosten werden vergoed. Mijn jeugdpuistjes moesten maar vanzelf overgaan. Wij waren particulier verzekerd en moesten dus alles zelf betalen. Ik voelde me het kind van de rekening.

Dat is passé, en zo zijn mijn pukkeltjes.
Pas las ik het boek ‘De toekomst van gezondheid’ van Adjiedj Bakas, trendwatcher & toekomstvoorspeller. Hij voorziet de toenemende toepassing van technologie en zelfs robots. Hij pleit voor een groter beslissingsrecht over leven en dood; de grens tussen doorgaan met behandelen of gewoon maar genieten van de laatste maanden die je nog hebt.
Ethische kwesties waarover het laatste woord nog niet is gesproken. Voedsel voor de geest.

Eten en drinken, die spelen ook een hoofdrol in het geschetste toekomstscenario. Want dragen wij niet allen verantwoordelijkheid voor onze eigen gezondheid? En moeten wij niet ‘afgestraft’ worden tot het betalen van een hoger ziektekostentarief naarmate we meer risico’s nemen?
Iemand die dagelijks twee pakjes sigaretten verstookt, laat die niet willens en wetens zijn gezondheid in rook opgaan? En iemand die iedere dag de bodem van de wijnfles bereikt? Wordt het daar de hoogste tijd voor een alcoholslot op de drankkast? En hoe zit het met XTC en andere drugs?

Waar ligt het scherp van de snede?
Suiker op de bon? Waar dit ‘vergif’ toe leidt, hoor je al in de naam: suikerziekte.
Extra belasting op zuurtjes en pepermunt, omdat die onherroepelijk leiden tot hogere tandartskosten?
Kant-en-klaarmaaltijden in de ban vanwege al die kunstmatige geur- en smaakstoffen? We weten toch allemaal dat die E-nummers staan voor ‘Erbarmelijkslecht.’

En hoe zit eigenlijk met leefstijl? Sportblessures niet meer vergoeden, omdat je ‘erom vraagt’ onderuit gehaald te worden tijdens een stevig robbertje basketbal? Maar activiteit is toch goed voor lichaam en geest? Discussiëren over thema’s die ons raken in de portemonnee brengt in ieder geval de gemoederen flink in beweging.

Al schrijvend heb ik, bijna ongemerkt, een half zakje drop leeggegeten. Niet zo slim, want mijn bloeddruk is al aan de hoge kant. Maar ja, altijd 100% gezond en verantwoord maakt het leven zo saai. Ik bewaar de andere helft gewoon voor een andere keer, dat klinkt toch als goede gulden middenweg? Ook nog mijn favoriete smaak: muntdrop. Blij dat die dure risicoregel nu nog niet geldt.



donderdag 25 oktober 2012

To be or not to be? Out of the question!



Vroeger. Toen was er nog een duidelijke scheidslijn tussen wat normaal was en wat niet.
Wie veelvuldig in zichzelf liep te praten, had last van stemmen in het hoofd. Dat betekende handen op de rug, weggebracht en opgesloten worden, spanlakens, koude wisselbaden en soms zelfs elektroshocks om die demonen tot bedaren te brengen.

Tegenwoordig lopen ze overal, mensen met de blik op oneindig pratend in zichzelf. Hardop lachend. Binnenpretjes? Pas als je heel goed kijkt, zie je het kleine kabeltje van mobiel naar oor. De tijdgeest heeft me zelfs al zo gehersenspoeld dat ik op oude geschilderde arbeidstaferelen mannen zie in die karakteristieke pose - armen gebogen, hoofd omlaag en handen frunnikend. Pas bij tweede oogopslag zie ik wat ze écht doen. Niet whatsappen, maar een shagje draaien.

Vroeger verdween er bijna nooit iemand uit beeld. Je bleef wonen in het dorp waar je was geboren, en vakantie was hooguit een weekje aan zee en weer snel terug naar huis. Maar áls er eens iemand vertrok, was die persoon ook echt helemaal weg.

Tegenwoordig doen we aan ‘global thinking’ en is de hele wereld ons speelveld geworden. Een half etmaal vliegen en je staat aan de andere kant.

Gisteren was ik bij een vriendin die er over een paar dagen opuit vliegt. Drie maanden vrijwilligerswerk in een Aziatisch kindertehuis, een mooie aansluiting op haar inmiddels afgesloten loopbaan op een Hollandse basisschool. Eventjes ontsnappen aan de waanzin van de westerse wereld. Maar… is weg tegenwoordig nog wel echt ‘uit beeld’?

Speciaal voor deze reis kocht ze een minilaptop. Ter aanvulling van het lijstje ‘ik heb een koffer en neem mee’ is er een ‘to do list’ op digitaal terrein. Een Hotmail- én Gmail-account, voor het geval er eentje hapert. Skype, uiteraard met webcam. En niet te vergeten een blog op ‘waarbenjij.nu’.

Zij aan zij zijn we de hele middag bezig met het installeren van manieren om de connectie met het thuisfront niet te verliezen. Een tijdrovende klus, en dat schept ruimte voor reflectie. Want waar zijn we nou eigenlijk helemaal mee bezig? Duizenden kilometers reizen om los te breken uit het vaste stramien, maar nog vóór vertrek je ervan vergewissen dat je desgewenst dagelijks even kan bellen of bloggen met je kat.

Wereldwijde big brother-taferelen. Babbelend met een snoertje, altijd verbonden met de buitenwereld. Geeft dat een vrij gevoel?
Ja! Want de laatste optie die we inschakelen zet alles in een ander perspectief. De voicemail van de mobiel. Lang hoeft mijn vriendin niet na te denken over de welkomstboodschap.
“Sorry, ik ben er even niet.”
Jezelf soms even helemaal uitschakelen, dat is misschien wel het beste antwoord op die zo bekende vraag.
To be or not to be?
Alleen als ik het wil.





dinsdag 9 oktober 2012

Dood door schuld




Vorige week was ik in een congrescentrum naast het Amsterdamse Centraal Station op een seminar met indrukwekkend thema: ‘Zelfdoding door pestpraktijken op het werk’. De bijeenkomst was bedoeld om vertrouwenspersonen en HRM-managers te doordringen van de ernst van deze zaak.


Het precieze aantal werkgerelateerde suïcides is niet bekend. Bedrijven lopen niet graag te koop met hun scores op dit gebied, bang voor imagoverlies. Een ruwe schatting is er wel: jaarlijks maken tussen de 100 en 250 mensen een einde aan hun leven als gevolg van pesterijen op het werk.

De pauze halverwege was genoeglijk. Koekje, praatje. Op die tiende verdieping stonden we relaxed samen, hoog en droog. Alles kan een mens gelukkig maken; een vers kopje thee.

En toch… uitkijkend over al die daken… kon ik het niet laten het me af te vragen. Hoeveel mensen daar beneden slepen zich met tegenzin naar hun werk, dag in dag uit? Niet omdat ze het zo druk hebben. Hard werken, daar gaat niemand dood aan. Nee, veel meer omdat ze elkaar pesten, manipuleren, chanteren. Elkaar het leven onmogelijk maken!
Het ergste is groepsgedrag. Met z’n allen tegen één; het mikpunt, de pispaal. Altijd iemand die zich niet zo goed verweren kan, iemand die een beetje anders is dan de rest.

Om het nog een graadje erger te maken; het werk is niet de enige slangenkuil. Het schijnt dat ieder jaar zo’n 1600 mensen overgaan tot die laatste drastische daad. Een alarmerend groot getal, vooral als je het omrekent naar het gemiddelde per dag: ruim vier!

Er is geen strafmaat voor zelfmoord. De pleger heeft de hoogst denkbare veroordeling al gekregen: de doodstraf. En de echte ‘daders’? Die gaan meestal vrijuit.

Een column moet je altijd een beetje positief eindigen, anders houden lezers zo’n nare nasmaak. Of haken ze halverwege af. Voor wie er nog is, hier komt de vrolijke switch.
Op weg naar huis in de trein kwam er een jongen naast me zitten, ook al waren bijna alle banken leeg. Hij glimlachte, keek naar mijn telefoon waarmee ik even snel een Sms’je verstuurde en begon een geanimeerd gesprek. Over internet en smartphones en de nieuwste ICT-techniek.
Het kostte moeite zijn spraakwaterval te onderbreken om te vragen hoe hij dit allemaal wist.
Het antwoord kwam met een blije lach: hij was helpdeskmedewerker bij een telecombedrijf.
“Ik geniet ervan mensen te helpen, en ik heb best veel geduld.”
Zijn wat robotachtige manier van praten stuurde me onvermijdelijk in een bepaalde richting.
Mensen met autisme concentreren zich vaak vol vuur op één ding en gáán daar voor. Was hij daarom zo geknipt voor deze baan?

Mijn vraag of het nooit saai werd, pareerde hij met overtuigingskracht en een ontwapenend eerlijk argument. Hij was ‘obsessief compulsief’.
Bij het uitstappen, legde hij kort zijn hand op mijn arm en sprak: “Weet je dat ik nog een talent heb? Ik voel of mensen goed zijn of niet”.
En ... gek of niet... ik was eigenlijk best een beetje trots.

Nawoord:
10 oktober 2012 is de internationale Dag van de Psychische Gezondheid.
Er rust nog steeds een taboe op psychische problemen. Misschien is zo’n dag een mooi moment je te realiseren dat sommige mensen het soms een beetje extra moeilijk hebben. Dat zou meer levensgeluk creëren en... minder levens veel te vroeg eindigen.


donderdag 4 oktober 2012

Een kaartje; grote moeite, maar… onuitgeroeid plezier!




Gisteren bij thuiskomst lag er een brief op de mat. Een heuse driedubbelgevouwen brief, in een enveloppe. Geen handgeschreven afzender op de achterkant. Zelfs geen stempeltje. Gewoon een witte anonieme enveloppe, met in plaats van een postzegel zo’n onpersoonlijk stempel.
Dat was jammer.


Vroeger kreeg je brieven met soms wat gevlekte adressen, waaraan je kon zien dat het papier nattigheid had gevoeld. De vaak kleurrijke postzegels waren een lust voor het oog.
Spannend was het om, zonder naar de afzender te kijken, aan het handschrift te raden wie de brief gestuurd had.

Tegenwoordig gaat de postmevrouw steeds vaker stilletjes ons huisje voorbij. En áls ze al de moeite doet even naar rechts af te slaan om iets in onze hoogstpersoonlijke deurgleuf te deponeren, is het vaak een in plastic verpakt tijdschrift of zo’n in irritantlichtblauw verpakt bericht van de Belastingdienst. That’s it!

De vanouds vertrouwde hausse aan tastbare kerstwensen vertoont jaarlijks zo’n slinking dat het me niets zou verbazen als het woord ‘kerstkaart’ binnen tien jaar uit de Dikke van Dale wordt geschrapt.
Zelf ben ik nog zo’n type van de oude stempel die verjaardagskaarten stuurt. Ik kies zelfs meestal met veel aandacht een bijpassende postzegel uit. In ruil krijg ik steeds vaker losse flodders via PC of smartphone. Ongetwijfeld goedbedoeld, maar ze kunnen toch niet tippen aan het echie van papier. Eén druk op de verkeerde knop en floep… woorden en wensen zijn in één klap vervlogen. Terug naar waar ze vandaan kwamen, de gebakken lucht.

Maar nu is er een brief. Begerig rits ik de rug open. Rechterpink in het kleine gaatje waar geen plaksel zit, dat kunstje ken ik nog.
‘De brievenbus in uw straat gaan verdwijnen’ lees ik in vogelvlucht. De dichtheid van het brievenbussennetwerk blablabla… niet meer van deze tijd….
Nou worden de postzegels binnenkort al flink duurder. Nu ook die ouwe vertrouwde bus nog weg? Dan zijn we nog verder van huis.
Waar ik mijn brieven en kaarten binnenkort nog in de gleuf kan laten glijden? Die ‘location based service’ is te vinden op… juist: internet!

Een kaartje, kleine moeite, groot plezier. Lang geleden dat die destijds veelgehoorde vrolijke slogan klonk. Het lijkt ook een steeds grotere moeite te worden om een kaartje van deur tot deur te laten bezorgen. Maar dat maakt het plezier er niet minder om!
Dus kom ik met het volgende voorstel. De digitale snelweg voor alles wat snel MOET, en de langzame route van de papieren post voor persoonlijke wensen.
Dat wordt zoiets als quick quick slow. En dan beloof ik dat ik een vreugdedansje maak op de mat bij iedere handgeschreven kaart of brief. Dan liefst wel met mooie postzegel erop.