woensdag 22 augustus 2012

Zonder geld zijn we allemaal rijk




Het leven kan zo simpel zijn. Waarom zouden mensen zich zo’n beetje het hele jaar ‘in het zweet huns aanschijns’ over de kop moeten werken om twee weken ver van huis in een tentje onder een boom te bivakkeren? Terwijl ze dat eigenlijk het hele jaar kunnen doen. Zolang ze dan ook maar genoegen nemen met dat canvas doek en het plastic matje. Dag in dag uit!



En daar gaat het meteen al mis. Want zelfs bij de meest basale levensbehoeften – zeg maar het fundament van de piramide van Maslow, die zo veelgebezigde beeldende opstapeling van mensenwensen – loopt het al in het 100. Want als je geen geld kan neertellen, komt het dagelijks brood dan wel voor de bakker? En worteltrekken bij de groenteboer? Ook dat gaat niet voor niks.

Ja, voor niks gaat de zon op. Maar als je geen geld hebt voor een zonnebril of smeersels om je huid te beschermen tegen verbranding of nog erger, lijkt er weinig te genieten.
Zelfs de welbewuste wensenlijsten die we maken in een idealistische bui – ‘gelukkig zonder geld’ – geven te denken. Een lekker warm bad als het regent of koud is. Met een goed boek op de bank. Nieuwe mensen leren kennen in een café. Allemaal leuk. Maar wie betaalt water en elektriciteit? Het boek? En niet te vergeten, het gelag? Zoete lieve Gerritje? Ja, m’n neus! Die wil ook weleens wat anders dan zo’n klapperend tentzeil.

Het gekke is, rijkdom is relatief. Straatarm omringd door andere arme sloebers, is er weinig aan de hand. Maar zodra één van hen de financiële kop iets boven het maaiveld uitsteekt, schijnen we ons ineens te realiseren wat we missen en groeit de behoefte aan méér. En de angst voor de toekomst.

Kan het gewoon, relaxed achteroverleunen in het vertrouwen dat ‘het’ allemaal vanzelf goed komt? Of zitten er zulke grote gaten in het vangnet van onze welvaartsstaat dat ze niet meer te dichten zijn? Eh… boeten, heet dat niet zo bij het repareren van netten?
Nou, en dát ben ik eigenlijk niet van plan; boete doen door het bedenken van allerlei doemscenario’s en geloven dat levensgeluk alleen afhangt van stapels biljetten en rammelende munten waar je toch maar je tanden op stuk bijt.
Zonde van de tijd.
En tijd is geld.
En daarmee is de cirkel rond.

‘Zonder geld zijn we allemaal rijk.’ De gedachte dat het zomaar zou kunnen, is eenvoudig onbetaalbaar. Daarin geloven, al is het maar even, geeft een fantastisch fijn gevoel. Helemaal gratis voor niks.
En daarna weer over tot de orde van de dag: aan het werk en vullen die ouwe sok.



woensdag 15 augustus 2012

Dwalen door niemandsland



Grenzen. Zijn die er om je eigen territorium te bewaken, strikt en star, opgetrokken uit stevig staal? Een wirwar van prikkeldraad? Een betonnen muur? Of zijn het van die deinende stoffen banen die meebewegen met de wind?



Grensbewaking, dat is een belangrijke training voor militairen en marechaussee. ‘Zelfhulp Kameradenhulp’ is de ijzeren regel die iedere soldaat krijgt aangeleerd. Maar ook in het dagelijks burgerbestaan moeten we leren onze persoonlijke scheidslijnen te verdedigen, te vuur en te zwaard en met dezelfde motivatie als in het leger: voor je eigen bestwil en dat van iedereen.  

‘Alleen door jezelf voorop te stellen, kan je er echt helemaal zijn voor anderen,’ luidt de bijbehorende motivatie. Maar in mijn oren klinkt die toch een beetje als vergoelijking van egoïstisch gedrag. Want ergens op de achtergrond sluimert de paradox.

In mijn fantasie zijn grenzen hooguit strepen op de grond, waar je met gemak overheen kunt springen. Op die strepen gaan staan, dat lukt me lang niet altijd goed. Vooral wanneer ik dat niet wil. En dát is volgens mij de crux waar het allemaal om draait.

Eén lijn trekken is godsonmogelijk. Waar de een mag binnenkomen, houd je de ander liever buiten aan de poort. Dat onderscheid wordt niet bepaald door keiharde verdedigingstactiek, maar door de zachte wetten van invoelingsvermogen en intuïtie.

Daar komen geen legerregels en managementtrainingen aan te pas. Dat vraagt om enige bewegingsruimte en soms een lange dwaaltocht door niemandsland. Maar wie bereid is tijd en aandacht te besteden aan het luisteren naar zijn eigen gevoel, gaat het ontdekken.
Grenzen stellen is trouw blijven aan jezelf.
Is dat niet de mooiste natuurlijke scheidingslijn die er bestaat?

donderdag 26 juli 2012

Crazy horses



Vroeger, toen was alles beter. Dát zinnetje, is het begin van verval. Wie nog bruisend midden in het leven staat, wil toch zeker alleen maar met zevenmijlslaarzen vooruit! Anders zaten we nog steeds met z’n allen in die grot, gekleed in berenvel.

“Zet uit die herrie,” schreeuwde mijn moeder vroeger als ik net lekker op de bank zat te genieten van Toppop. Eén uurtje per week. Crazy Horses van die o zo Amerikaanse Osmond Brothers.
Vooral het ‘ahwoe ahwoe’ van de elektrische gitaar in het refrein vond ik prachtig en zij verschrikkelijk. “Zachter!” klonk haar commando, en ze verscheen om de hoek van de deur gekleed in een schort en met afwassop aan de handen.




De grootste vooruitgang van de laatste decennia is volgens mij vooral het vervagen van die kloof tussen de generaties. Wij, moderne middelbare mensen van nu, zijn toch zeker met onze tijd meegegaan? Niks geen autoritair machtsvertoon, maar lekker meepraten met de jeugdigen na ons, vooral op gelijkwaardig niveau. En een schort met sophanden is er zeker niet meer bij.

Bijblijven is eigenlijk helemaal zo moeilijk niet. Als je maar wilt, dan gaat het spelenderwijs.
Wie kent er niet ‘Draw Something’? Iets uitbeelden via  een tekening, waarbij een ander moet raden welk woord het is. Het enige wat je nodig hebt, is je mobiele telefoon, en je zo’n beetje hele wereld is je speelveld.



Onbegrensde mogelijkheden! En toch, starend naar het schermpje van de smartphone, komen er herinneringen boven aan galgje of zeeslag, tegenover elkaar aan tafel, blaadje papier, rechtopstaande deksel van een spelletjesdoos er tussenin, potje thee en chocolade onder handbereik en lachen maar. Tekenen op afstand is eigenlijk best wel eh... afstandelijk.


Nee dan Wordfeud! Lekker puzzelen met letters op de slimme telefoon. Ook hier weer een keur aan medespelers, zelfs uit verschillende landen, dat maakt de woordkeuze ook lekker internationaal.
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar eigenlijk vind ik het niet half zo leuk als scrabble. Daarover kon je tenminste nog lekker ter plekke bekvechten, en met de stenen gooien als je het niet eens werd over de werkelijke woordwaarde.

En nou is er weer wat nieuws. Song Pop, een muziekquiz voor de mobiel. Vijf liedjes luisteren per ronde en zo snel mogelijk de juiste titel of artiest in het multiple choice rijtje uitkiezen.
Toekomstmuziek? Wat mij betreft absoluut. Op muziekgebied ben ik sterk als een paard, want ik ken mijn klassieken. Ahwoe ahwoe!









maandag 16 juli 2012

Ik lach omdat ik dan niet hoef te huilen


Er zijn van die ontmoetingen met mensen die nagalmen in je hoofd. Zelfs jaren later, als je ze al een beetje vergeten bent, komen ze ineens weer bovendrijven.

Zo’n ervaring had ik laatst, op zo’n zeldzaam moment van niet-weten-wat-te-doen, opgevuld met gezap. Het magere meisje op de beeldbuis hield mijn ogen net wat langer vast en mijn doorklikduim in bedwang. Vooral omdat ze me deed denken aan die ándere jonge vrouw van alweer een flinke tijd terug.

Ze leken dubbelgangers. Van die typische ballerina’s, lange benen, sierlijke armen, strak staartje en haar uit het gezicht waardoor hun magere, ingevallen wangen nog meer werden geaccentueerd.
Ook hun levensverhalen hadden grote overlap. Angst om te eten, angst voor de calorieën.
Zo magnetisch als ik in het tv-verhaal werd getrokken, zo gemakkelijk fladderen mijn gedachten weer weg. Terug naar het contact met dat meisje van toen. Haar droom om balletdanseres te worden, was nooit waar gemaakt. Haar droom om slank te blijven wel. Ze had nog steeds een frêle figuurtje, maar qua levenservaring iets meer gewicht in de schaal.

Ze vertelde hoe haar ouders haar hadden gedwongen om te eten. Met straffen en dwingelandij. Bijna met een trechter op haar keel. Tijdens de verplichte therapie had ze voor het eerst over anorexia nervosa gehoord. Hoe verschrikkelijk ze haar opname ook vond, er was één lichtpuntje: haar ouders hielden kennelijk genoeg van haar om bezorgd te zijn. Met die gedachte in het hoofd vocht ze zich moeizaam terug. Stap voor stap, hap voor hap.
Maar toen ze eindelijk weer ‘vrij’ mocht, waren er geen blije gezichten thuis. Geen bossen bloemen en geen koesterende armen om haar heen. Er werd alleen van haar verwacht dat ze normáál zou doen, weer passen in het keurslijf dat haar ouders voor haar hadden bedacht.

De voortdurende glimlach op haar gezicht kon ik maar moeilijk snappen. Zo vrolijk was het toch allemaal niet. Er was even een fractie van aarzeling geweest toen ik mijn vraag had gesteld. Nog vóór het antwoord had ze zich weer onder controle. “Als ik lach… dan hoef ik niet te huilen.”

Mijn ogen focussen weer even op het tv-meisje. Haar gezicht in lachstand, maar haar ogen staan star en de pretlichtjes ontbreken. Ze heeft nog een lange weg te gaan. Van lachen naar eindelijk mogen huilen… dat ligt pas écht zwaar op de maag.




vrijdag 13 juli 2012

Kletsmajoors



De supermarkt, dat was vroeger een sociaal gebeuren.
In de tijd dat er nog geen internet was (hoe dééd men dat?) stonden de winkelbezoekers urenlang te turen op het prikbord naast de toonbank. Zo’n zachtboardplaat, hangend aan roestige schroeven, waar op het laatst zoveel gaten in zaten dat geen punaise meer hield. Met al die gevallen briefjes was speurneuzen naar tweedehands driewielers vaak meer een zoektocht op de grond.

Maar het ging vooral om het intermenselijk contact. Geen idee of de huisvrouwen van destijds afspraken dat ze op een bepaalde tijd boodschappen zouden doen. Wie weet niet eens, want er waren er genoeg en je kwam altijd wel een bekende tegen voor uitgebreide babbelarij. En geen boos gejakker met duwende karretjes tegen je billen als je weer eens in de weg stond in het gangpad. Ten eerste waren er niets eens karretjes maar mandjes, want in het groot inkopen deed niemand. Ten tweede had er nog niemand haast.

Wat een sprong naar de huidige tijd. Regelmatig komen de Albert-bestelautootjes en Appie-brommers hier de straat inscheuren. Moderne appartementengebouwen hebben zelfs een koel- en vriesinstallatie naast de brievenbus waar de duurbetaalde boodschappenjongen zijn bestelling volgens de HACCP-normen kan afleveren. Snel en efficiënt, maar wat een koud gebeuren eigenlijk. En dan ’s avonds na ontdooien en microwaven snel nog even de broodnodige sociale contacten via Twitter en Facebook.



Toch bestaat het nog steeds, die ouderwetse aanpak van rustig aan dan breekt het lijntje niet. In de bejaardenhuizen. Als je zelfs niet meer met rollator en scootmobiel de deur uit kan, is er nu de indoorbuurtsuper in miniformaat. Het lijkt een beetje op winkeltje spelen, een banaan voor twee dubbeltjes. Ik ben bijna geneigd in mijn zakken te voelen naar plastic muntjes. Een zakje dropjes van 25 gram. Voor de kleinkinderen natuurlijk? “Nou, de mensen lusten er zelf ook wel pap van,” vertelt de winkeljuffrouw met gulle lach. Haar toonbank van bordkarton op wielen wordt aan het einde van de winkelopening – van tien tot kwart over elf – naar binnengerold en het rolluik gaat weer naar beneden.

In die vijf kwartier gaan het inslaan van de dagelijkse inkopen en het uitwisselen van wetenswaardigheden hand in hand. Over vroeger en de kinderen. Maar ook over dat de klanten eigenlijk niks mogen hebben, maar toch lekker stiekem wat lekkers komen kopen.
Het favoriete artikel? Jan Hagel. Oh ja, en natuurlijk Kletsmajoors! 


zondag 1 juli 2012

‘Onze’ ruimtevaarder is terug. Proost!




Je hebt van die mannen die met kop en schouders boven zo’n beetje iedereen uitsteken. Vooral in hun eigen hoofd. Voor hun belangrijke baan moeten ze verre reizen maken, en de wetenschap van zoveel mensen onder zich te hebben is een zware verantwoordelijke druk. Eentje die ze overigens maar al te graag dragen, want daardoor stijg je automatisch ook in je sociale leven tot ongekende hoogte. In hun vrije tijd zijn ze ook al zo bijzonder in de weer. In één etmaal rijden ze zomaar naar Zuid-Spanje en reken maar dat ze in vliegende vaart over de snelweg scheuren.

Zelfverzekerd, aantrekkelijk en ook nog eens rijk. Volgens de biologische wetten zouden zulke alfamannen een bijna magnetische aantrekkingskracht hebben op de vrouwen, maar mijn sonarsysteem raakt alleen maar verstoord door zulke machotypes. Lastig in de omgang en doodsbang om overtroffen te worden door een al even irritante concurrent.

Gelukkig is er af en toe ook aangenaam tegenwicht van al dat opgeklopte gedoe. Mannen die niks zweverigs hebben in hun karakter. Mannen die toch tot behoorlijke hoogte zijn gestegen, maar vooral heel erg down to earth zijn gebleven. Er is er zelfs eentje die er voor mij met kop en schouders bovenuit springt. Zelfs the sky is niet the limit voor zijn toch best bijzondere beroep, de personificatie van science fiction in real life.

Ik heb het natuurlijk over onze ´eigen´ astronaut, die zichzelf liever ruimtevaarder noemt: André Kuipers. Op de dag dat een groot gedeelte van de wereld in gespannen afwachting de adem inhield voor de afloop Spanje- Italië landde hij keurig op de middenstip in de steppe van Kazachstan.
Met 27.000 kilometer per uur de dampkring binnen suizend, tientallen wetenschappelijke experimenten op extreem grote hoogte achter de rug en een half jaar lang op toch best verre zakenreis.

En wat waren zijn eerste woorden toen het koepeltje van zijn Sojoez-capsule werd opgelicht?
“Hoi schat, ik ben d’r weer”. Met zo´n gulle glimlach dat ik op het puntje van mijn stoel zat te wachten of die tweede vraag – die of een bepaalde borrel koud stond – zou volgen. Die bleef uit. Waarschijnlijk is jonge jenever niet het beste drankje als je zes maanden bijna gewichtsloos door de ruimte hebt gezweefd. Maar wie zo nuchter op aarde landt, is wat mij betreft een echte zwaargewicht. Laat ons daarop proosten.


woensdag 20 juni 2012

Boerenkool, baklava en half bloot




Is Nederland Nederland nog wel? Ach ja, ons land nieuwe stijl is gewoon kleurrijker geworden. Smakelijker ook. Zonder couscous en baklava waren we altijd bij boerenkool en boterkoek blijven hangen. Best lekker op z’n tijd, maar verandering van spijs doet eten.




Wél even de taal leren, dat geldt voor iedereen die hier officieel wil meetellen. En dat tellen, dat gaat niet altijd zo ééntweedrie. Hoezo zeven EN twintig? Waarom niet, net zoals in het Engels, de logische lijn? Twenty seven! Wie begint er nou achteraan? We zijn toch zeker geen Arabieren!

Tot tien tellen is sowieso moeilijk als je in je vader- of moederland nauwelijks onderwijs hebt genoten. Zo’n wankele educatieve ondergrond blijft bestaan, ook bij verhuizing naar de andere kant van de wereld. En je zal maar uit een land komen waar mensen soms van de honger sterven op straat. Hoe voel je je dan als je voor het eerst van je leven een supermarkt bezoekt? Met al dat eten, zomaar voor het grijpen. En wat te denken van die billboards van katten en honden boven het schap met dierenvoer? “Wow, kan je die beesten hier ook al kopen?” dacht een jongeman uit Somalië. Dat al die dozen en blikken gevuld waren met dierenvoer was voor hem een onbegrijpelijk wereldwonder.

Verder kan er in de supermarkt weinig mis gaan. Behalve als je in de rij voor de kassa het dringende verzoek krijgt je wagentje even vooruit te schuiven. Vol onbegrip blijf je stokstijf staan. Actie ho maar. ‘Heb je weer zo’n luie buitenlander’, denkt de caissière en geeft een ongeduldige ruk. Weet zij veel wat jij net geleerd hebt in de Nederlandse les? ‘Boodschappenkarretje’.  
En waarom in de vredesnaam naar de groenteboer gestuurd voor een peertje?
Gaat er nou niemand een lichtje op dat je dat dáár niet kopen kan: een bolletje voor in de lamp!
En dan hebben we het nog niet eens over de betekenis van al die onbegrijpelijke uitdrukkingen.

Babylonische spraakverwarring zorgt soms voor humoristische vergissingen. Maar vaak ook, ondanks alle cultuurverschillen, willen we in feite allemaal hetzelfde. ‘Een economische school voor de kinderen,’ zoals een Egyptische moeder het formuleerde. Betekende dit dat ze niet bereid was te investeren in het onderwijs? Integendeel! Maar ‘oecumenisch’ is zo’n woord waarover zelfs veel Nederlanders nog struikelen.


Soms zit een valkuil in onverwachtse hoek. Zoals bij de bestelling van een blijmoedige buitenlandse die de warme bakker een kriebel in de buik bezorgde: “Een half wit bloot.” 
Nee, geen Chinese die de R niet kon uitspreken, maar een Spaanse schone met een lollige schoonvader die graag wat verwarring zaaide bij het dagelijks brood.
Weinig om het lijf? Zij kwam wel thuis met het schaamrood op de kaken. 
Of schoonpapa begreep dat hij bij zulke humor vooral zelf in zijn hemd stond, valt te betwijfelen. De betekenis van 'met lege handen staan' snapte hij meteen, want zij ging voorlopig geen boodschappen meer doen.