donderdag 1 mei 2014

Nieuw Amsterdams Pijl



Wie denkt dat dit per ongeluk fout geschreven is; die ‘ij’ staat er bewust. Denk echter niet dat ik zelf nooit weifel of twijfel, want ja… je kunt het verschil niet horen.

“Sommigen denken dat levenskunst betekent een probleemloos leven lijden.” Dat was het zinnetje waarmee een gelukscoach vanmorgen mijn mailbox wist te bereiken. Het was nog vroeg, maar ik was wakker genoeg om het een raar beeld te vinden; lijden én geluk. Een contradictio in terminis. Je leven lijden??? Dat riekt toch meer naar ongeluk?

Bovendien, als er iets ongelukkig maakt, is het wel dat je niet de leider bent van je eigen levensloop. Toegegeven, er komen vast allerlei ‘apen en beren’ op je pad (“probleemloos leven bestaat niet”) maar zolang je maar met eigenwijsheid de hobbels wat kunt omzeilen, valt het misschien nog mee.
Terwijl het prototype pessimist neigt het bijltje erbij neer te smijten, want… d’r is toch allemaal niks aan te doen (aldus een wegwijsboek voor positief denken) stippelt de optimist liever zelf de route uit. Vrijheid-blijheid! 
Tuurlijk kies ik graag voor de optimistische route, voor zover dat lukt.
Een paar weken terug had ik een afspraakje in Amsterdam. Met mijn dochter. Ik zou haar ophalen bij haar werk en daarna zouden we samen eten in een tot restaurant omgebouwd badhuis. 
Tramlijn 52 vertrok precies voor het Centraal Station, dus geen centje pijn, de eindbestemming was al bijna bereikt. Maar tot mijn stomme verbazing piepte en knarste het lint van ijzeren wagentjes sierlijk door de hoofdstedelijke straten om tenslotte weer tot staan te komen op hetzelfde plein waar ik was ingestapt.

Als het een indicatie is voor IQ hoe veel gepijnig eraan vooraf ging voordat ik eindelijk snapte dat diezelfde tram ook de ándere kant op gaat, ben ik bang dat ik niet erg hoog ga eindigen.
Ik ben sowieso nogal eens de weg kwijt. TomTom ten spijt leiden wegomleidingen nog regelmatig tot een lijdensweg. Het is eigenlijk een wonder dat mijn spermacel ooit het ei heeft bereikt. Of zit juist daarin de navigatie? In mijn geval niet ondenkbaar, want qua spoorzoeker voel ik me vaak een ei.

Zodra ik weer haastig was ingestapt, rinkelde mijn mobiel. Op speaker! Daar schalde mijn dochter luidkeels: “Mammie,” met een licht spottend accentje op de ‘ie’. “Waar ben jij eigenlijk nu?” Een gratis rondje gein voor de hele tram.

Robert Long zong het vroeger stemmig. “Het leven was lijden, als je danste een heiden.”
Lachen om je eigen gekkigheid, dat zet bij mij nogal eens de toon. Zo’n beetje de beste wegwijzer naar geluk, ik voel het aan mijn water, ver stijgend boven het Nieuw Amsterdams Peil.
Toch past hier beter die lange ‘ij’.

Leven op de koers van humor; dat is waar ik met plezier mijn pijl op richt.

donderdag 24 april 2014

Pak Tak!


Een van de doelstellingen van een vrijwilliger van Gevangenenzorg is samen met de gedetineerde spreken over zijn (of haar) misstap. Niet met het opgeheven vingertje, maar met een vingerwijzing naar de toekomst. Zó kan het straks beter. Zolang er leven is, is er hoop. Maar, er is één basisvereiste. Enige mate van zelfreflectie.

“Ik heb niks gedaan. Ik was gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats.” Deze opmerking die de man die ik nu drie keer in de gevangenis heb bezocht, bleef herhalen, gaf nog niet veel hoop op zelfinzicht. Maar hij had me wel uitgenodigd voor de rechtszitting. Dat ik daar de dingen zou horen die hij me (nog) niet had verteld, zag hij kennelijk niet als belemmering.

Wie geen contact meer heeft met zijn familie en ook weinig vrienden, kan niet rekenen op een grote opkomst bij de rechtszaak. Ik was eigenlijk al verbaasd over de man en vrouw die gelijk met mij werden binnengelaten.
‘Publieke tribune’ is een grote term voor vier rijtjes stoelen. Maar in dit geval stonden er dus meer dan genoeg. De opkomst van de professionals was groter. Vier heren op rij, in zwarte toga met witte bef. Terzijde de vrouwelijke Officier van Justitie, van hetzelfde laken een pak. Dress to impress?

Op mij had het effect, met ingehouden adem wachtte ik… nee, niet op de komst van de arme sloeber die voor de leeuwen zou worden geworpen, maar spannend was het wel. Geflankeerd door twee met handboeien rammelende bewaarders werd hij naar zijn plaats begeleid, de man die ik van achteren bijna niet herkende. Pas toen hij zat, zag ik die houding, het hoofd wat voorovergebogen, alsof hij het vijftal tegenover hem niet durfde aankijken.

In officiële juridische bewoordingen werd snel duidelijk wat de aanleiding tot deze strafzaak was. Een poging tot stelen van een damestasje op een koude winteravond. De echtgenoot van het slachtoffer handelde snel. Daadkrachtig wist hij de tastrekker tegen de grond te werken en met behulp van omstanders werd de politie gebeld.
In die context kon ik het echtpaar aan de overkant plaatsen. Net als ik luisterden zij naar het magere verweer van de aangeklaagde. Hij had “niks gedaan”. Maar hoe geloofwaardig is het dat er lukraak iemand wordt vastgegrepen, op de grond gegooid en aan de politie uitgeleverd? Een beter voorbeeld van heterdaad lijkt ondenkbaar.

Onbetwist, het is strafbaar, zo’n poging tot tasjesroof. Ook als die mislukt! Maar in de context van de persoonlijke omstandigheden, spelen compassie, inlevingsvermogen. En de hand over het hart?
Dik tien jaar dakloos, geen werk, geen uitkering. En vooral, psychische problemen.
Betekent dat een notoire leugenaar die het zelf gelooft?
Dissociatie, zoals ‘ik was er even niet bij’ in jargon wordt genoemd?
Of was er sprake van stemmen in het hoofd, zoals het commando voor de hond: “pak tak”? Tas, in dit geval.

De uitspraak is over twee weken. Ik ben blij dat de Officier heeft aangestuurd op psychiatrische behandeling. Want iemand na het einde van de straf de straat op schoppen zonder enig sociaal vangnet, dat gaat zeker mis. Met de maatschappij én met de man zelf.
We hadden even oogcontact bij zijn vertrek, de vermeende dader en ik. In zijn blik zag ik berusting. Wie weet komt het met goede begeleiding ooit nog goed? 
Zolang er leven is…

Op weg naar het station hield ik mijn tas goed vast. Je moet een beetje oppassen tegenwoordig.




woensdag 16 april 2014

De dingen van de dag


Bijblijven is belangrijk. Daarom luister ik regelmatig naar de radio en bekijk ik iedere dag het journaal. Veel te vroeg werd ik vandaag wakker. Woelen hielp niet, dus drukte ik boven mijn hoofd op het knopje van de wekkerradio. Zo viel ik weliswaar niet meer in slaap, maar wel middenin een praatprogramma over export. De Nederlandse stroopwafel is een hype in veel buitenlanden. Van Zuid-Amerika tot Australië staat-ie met stip op één. Weet ik dat meteen.



Lang niet alle wetenswaardigheden hebben zo’n zoete nasmaak. Een paar dagen terug was er een zesjarig jongetje in het nieuws. Met een bakje koffie op de bank, chocolaatje erbij keek ik naar het mannetje in zijn slaapkamer. Behang met autootjes, speelgoed op de grond, schoolschriftjes op zijn tafeltje. Boom roos vis, maar dan ánders, want dat doen ze tegenwoordig niet meer zo.
Binnenkort moet hij weg, en dat is de reden dat hij ‘nieuws’ was.
Verhuizen naar een andere plaats? Naar een andere school? Nee, weg uit Nederland. Omdat zijn moeder zich niet regelmatig heeft gemeld voor de nodige administratieve rompslomp. Simpelweg omdat ze niet wist dat dit moest, omdat niemand haar daar ooit op attent heeft gemaakt. Tot nu. Het jongetje moet naar China. Omdat zijn ouders daar geboren zijn.
Wat hij daarvan vindt?
“Stom!”
Onvervalst Nederlands, ik had het niet beter kunnen zeggen.
Net als ik, heeft hij China nog nooit gezien.

Chinese tekens, die staan op het shirt van Kenneth. Geen idéé wat er staat, bekent hij op mijn vraag. Maar het shirt was zeer welkom, gekregen van een vriend die een paar dagen terug is vertrokken. Naar de vrijheid, want Kenneth zit in het huis van bewaring. Voor hoe lang, weet hij nog niet. Een paar weken terug is hij opgepakt, voor de zoveelste keer. Zijn enige kleren de broek en het overhemd die hij aan had. Als jongetje kwam hij met zijn ouders van de Antillen naar Nederland. Helaas bleek de toekomst minder rooskleurig dan waarschijnlijk ooit gehoopt.
Kenneth heeft al veertien jaar geen uitkering meer, omdat hij geen adres heeft. Dan besta je niet. En wie niet bestaat, krijgt geen werk. Dus geen geld. Ergens een kamer huren? Dat lukt niet zonder inkomen. Om die vicieuze cirkel te kunnen doorbreken, vraagt om ijzersterke handen. Maar hoe vind je kracht als je niet eens iets te eten hebt? Achter tralies is Kenneth weer eventjes niet dakloos.

Pas hadden wij twee gasten aan tafel. Farah en Amir, moeder en zoon. Zij is een paar weken in Nederland op bezoek en vliegt binnenkort terug naar Teheran. Voor Amir – bijna acht jaar in Nederland, twee studies afgerond, een vaste baan en vloeiend Nederlands sprekend – is er ‘geen zwaarwegende reden’ om nog langer hier te kunnen blijven, aldus de instanties die daarover mogen beslissen. Nogal een lichtgewichtbesluit over zoiets wezenlijks als een mensenleven, want waar moet je heen als het niet veilig is om terug te keren naar af en je ook in je tweede vaderland niet langer welkom bent? Is het gek, dat ik steeds moet denken aan die poster die ik ooit, wat afgebladderd, zag hangen in een stadscentrum. ‘No one is illegal’.

De taal leren blijft die hoopvolle stap om een nieuwe toekomst op te bouwen. Toch?
“Ik kijk nooit meer’, zei Letya, toen ik haar tijdens mijn taalles aan buitenlandse vrouwen aanraadde naar de Nederlandse televisie te kijken. “Al doe je maar het nieuws”.
Zij: “Ik zie elke dag mijn land, en iedere dag is er weer iets kapot”.
Tsja, Letya, de dappere vluchteling uit Syrië.

Ik begrijp haar.

donderdag 3 april 2014

Met de handen in het haar



Als je haar maar goed zit. Was het dat vrolijke liedje van popgroep Vulcano dat de toon heeft gezet? In ieder geval is die uitdrukking blijven naklinken. Met een goede kop, eh coupe heb je een streepje voor. Met die gedachte in, en ook een beetje op het hoofd, sprong ik pas op de fiets naar de kapper waar je terecht kunt zonder afspraak. Ideaal, want meestal stel ik de knipbeurt zo lang mogelijk uit (‘wat een gedoe’) dat het van de ene op de andere dag niet meer goed zit.

Even later zit ik op de wachtbank, bladerend in van die lekker knisperende dure glossy bladen die daar ook eigenlijk alleen voor bedoeld zijn. Veel te lezen staat er niet in. Starend naar glamour vrouwen in pumps ter waarde van een half maandsalaris verheug ik me er al stiekempjes op om met een spetterende coiffure en bijbehorende boost voor mijn ego het pand weer te verlaten.  

“Ojee, wat smeert u in uw haar?”
De openingsvraag van de kapster is al niet relaxed.
Mijn hoop dat ‘olie’ het goede antwoord is, wordt direct de bodem ingeslagen. Dat ik het merk niet kan noemen, blijkt bijna een doodzonde.
“Maar uw haar is uw visitekaartje!”
Dat ik mijn haren ‘kennelijk’ zelf kleur, is uit den boze.
“Het ruïneert de natuurlijke veerkracht. Ja, óók als u henna gebruikt. Juist dan.”
Tijdens het knippen maant ze me herhaaldelijk rechtop te zitten.
“U laat uw hoofd steeds zakken!”
Ja, vind je’t gek?
Tegen het einde van de knipbeurt gooit zij het ineens over een andere boeg.
Weet ik wel wat een prachtige krullen ik heb? Die komen pas écht goed tot hun recht met de juiste producten. Er verschijnen potjes, flesjes en een spuitbus foam die ik vast zo bij de lokale drogist zou kunnen halen, voor een habbekrats. Maar hier krijg ik nu ‘toevallig net vandaag’ 50 procent korting op het duurste product. Naast knippen heeft de kapster ook de tactiek van verkoop in de vingers, dat moet gezegd. Evengoed trap ik met een lege tas huiswaarts. Voor een slordige 20 euro knippen en voor tientallen euro’s pappen&nathouden, Wella-omdatikhetwaarben? Dácht het niet.


De verwachte egoboost blijft ook uit. Sterker nog, ik kom vertwijfelder thuis dan ik vertrok.
Hebben anderen dat nou ook, dat effect, in handen van dé professionals?
Mijn mondhygiëniste geeft me er vaak van langs. Hoezo, goed poetsen? Dat dát niet genoeg is, weet ik toch zeker zelf ook wel? Waarom geen ragebollen en tandenstokers, meldt ze met scheve blik op mijn echtgenoot die wel regelmatig zo’n satéprikker in zijn tandvlees steekt. Hoort dat bij de service, dat ‘stoken’ in een goed huwelijk?
Het liefst ga ik naar kledingwinkels zonder advies. Piekeren over wat leuk staat, dat doe ik het liefste zelf, achter de veilige beschutting van het paskamergordijn.
De schoonheidsspecialiste is ook al niet mijn beste vriendin. De zeldzame keren dat ik me onderhanden laat nemen, kijk ik na afloop in de spiegel een beetje verschrikt in het gezicht van een volslagen vreemde.

En dan zit ik weer in een wachtkamer. Die van de tandarts. Met kiespijn en een beetje bang voor de boor. Maar…er blijkt niks mis. ”Het ziet er allemaal fantastisch uit!”
De Big Smile waarmee ik naar buiten rén (en daarmee zie je er bijna altijd goed uit) komt ook een beetje door weer zo’n blad waarin ik heb zitten bladeren. Happinez, met daarin een interviewtje met modeontwerper Hans Ubbink. Zijn advies: “Doe gewoon aan waar je je lekker in voelt.”
Die avond zie ik op TV dat hij gaat stoppen. “De markt is moeilijk.”

Wat zonde! Maar ik doe wel graag een suggestie voor doorstart naar een nieuwe carrière, die van coach in positivisme. Met een vleugje ‘wees jezelf’ voelt iedereen zich op z’n best. En reken maar dat dat goed is voor je ‘looks’.




woensdag 26 maart 2014

Nieuwe hoop


Wanneer heb je voor het eerst in je leven iets nieuws gedaan? Is het toevallig dat die Dagelijkse Gedachte (waarop ik me in een achteloze bui heb geabonneerd) vandaag in mijn mailbox staat?  Of hecht ik er simpelweg nu meer aandacht aan dan andere dagen? Omdat de vraag zo actueel is?


Het poortje ben ik al tientallen keren gepasseerd. Maar nu voelt het anders. Een andere gevangenis. Andere bewakers. Maar vooral, een nieuwe gedetineerde.
“Is dat hem?”vraagt de bewaarder die me voorgaat naar de bezoekzaal.
“Geen idee! Ik heb hem nog nooit gezien.”
Fronsende wenkbrauwen. Maak ik een geintje? Dan druppelt het langzaam door dat ik geen familie ben.

Even later balanceer ik op een onhandig draaikrukje, net een beetje te hoog. Omdat ik – zelf ook onhandig – niet zo snel ontdek wat de juiste richting is om het lager te draaien – laat ik het maar zo. Ter linkerzijde een stelletje, hij met armen blauw van de tattoos, hellend naar elkaar. Lastig, met dat transparante perspexplaatje ertussen.

Nog lastiger om tegenover iemand te zitten die je (nog) niet kent.
“De eerste keer raad ik de familiezaal aan,” klonk als bindend advies van de maatschappelijk dienstverlener van justitie. Me daarin schikken vind ik wel zo veilig. Onbekend maakt onbemind, en wie weet draagt hij zo’n grote dosis boosheid in zich die zomaar tot ontpopping kan komen. Ik weet niet waar de trigger ligt, en dat is bijna gevaarlijker en in ieder geval een minder controleerbaar wapen dan het meest ingenieuze pistool. Interne woede, die is niet te fouilleren en staat altijd op scherp.


Aftastend kijken we elkaar in de ogen. Wat leest hij in mijn blik?
Ik zie een verwarde man. Hij weet niet waarom hij hier zit. Toevallig opgeplakt, de verkeerde plaats op het verkeerde moment. Zijn familie woont in een andere stad, honderd kilometer hier vandaan. Inderdaad niet om de hoek. Maar vooral de gevoelsmatige afstand voelt ver als ik hoor dat niet één van hen de moeite neemt om even bij hem op bezoek te komen.

Uit summiere achtergrondinformatie weet ik dat het de zoveelste keer is dat hij vastzit. De personificatie van recidive? De komende tijd gaat we een uurtje per twee weken onze levens delen. Ik ben vooral erg benieuwd naar zijn leven dat hiervóór ligt, wat hem uiteindelijk hier heeft gebracht.
Is het waar dat hij is weggelopen uit de psychiatrische inrichting waar de behandeling nog lang niet klaar was? Klopt het dat hij niet eens weet waar zijn eigen kind woont? Hij lijkt in ieder geval genoeg in de war om me voor te stellen dat het waar kán zijn.


Na overleg met Gevangenenzorg bel ik later de beoogde inrichting. “Misschien heeft hij hier gezeten, misschien is het telefoonnummer van zijn kind hier bekend. Misschien is er een reden dat hij dat niet heeft. Misschien…” luidt het begrijpelijke respect van privacy. Het mij gegeven adres geeft een glimpje houvast.


Eén ding is zeker. Vandaag ga ik weer naar hem toe. Nu maar hopen dat het is toegestaan één enveloppe, één gelinieerd A-viertje en één postzegel mee naar binnen te nemen. Hem wat hoop geven, dat is het minste wat ik voor hem kan doen.








dinsdag 25 maart 2014

Boormans


Boormans is niet meer. De tumor in zijn kaak groeide en groeide, tegen de klippen op. Bloedverlies en heel veel stinken. Spinnen deed hij nog wel. Vooral in zijn favoriete positie, op schoot. Op het laatst droeg ik bijna alleen nog ouwe joggingbroeken, waarop hij mocht kwijlen. Vorige week zijn we naar de dierenarts geweest. Aan het einde van de dag, om niet omringd te zijn door al die happy dierenbezitters die na een pilletje of prikje in Fikkie of Babbel weer huppelend naar huis gaan. Ik zat op de terugweg met een doos op schoot.
 

De eerste keer dat ik hem zag, was ook in een doos. Tussen zijn broertjes en zusjes lag hij enthousiast te trappelen tegen zijn moeders buik, om de warme melkstroom aan de gang te houden. De doos stond in de garage van een tuin die we bezochten op de jaarlijkse ‘Open Tuinen Dag’. Goeie timing, want fauna kan mij persoonlijk meer bekoren dan flora. En zeker zo’n pluizig kitten is be-to-ve-rend.
“Je mag’m meeniemen,” riep de eigenaar enthousiast.
Tegen mijn sputterende echtgenoot ‘dat we al twee katten hadden’ had hij ook zijn woordje klaar. “Waar er twee benne, is er ook wel plaats voor drie.”
  
Zo geschiedde. Een paar weken – wat groter gegroeid – later. Hij zag, kwam en overwon.
De bijnaam ‘Lullo’, die hij al gauw kreeg vanwege zijn macho mannetjesgedrag tegenover onze twee veel oudere poezendames, bleek hem bij nader inzien niet echt op het lijf geschreven. Zo stoer was hij eigenlijk niet, het was gewoon naïeve speelserigheid geweest.



“Je moet wel een beetje stoer zijn,” zei mijn echtgenoot, toen ik mijn tranen bijna niet binnen kon houden, met het mandje op schoot met daarin een klaaglijk miauwende kater.
Miauwen in de auto heeft hij altijd gedaan. De laatste tijd vaak. De rit naar de dierenarts maakten we regelmatig, want hij mankeerde nogal eens wat.
Na een ‘gipsbeen’, een oogkap (zes weken lang, na een oogoperatie) en talloze penicillinekuren om de nodige ontstekingen te lijf te gaan, klonk zijn ‘gehuil’ nu anders. Alsof hij wel degelijk ging beseffen wat er hem boven het katerhoofd hing.
Op de behandeltafel, inmiddels vertrouwd geworden na de vele keren doktersbezoek, wilde hij direct weer terug kruipen in zijn plastic mandje.

Het afscheidspraatje van de dierenarts, parallel aan het inspuiten van een supergrote dosis felroze slaapmiddel, had hij vast veel vaker gehouden. Maar het hielp wel. Een beetje. Over dat dieren niet beseffen dat ze gaan sterven omdat ze – anders dan mensen – weinig tijdsbesef hebben. En dus ook niet verdrietig zijn omdat ze ‘de toekomst’ verliezen bij het overlijden.


“Rottig voor je,” sprak de volgende dag de vrouw van een boer haar meelevende woorden. Extra lief uit haar mond, want in háár leven hebben katten een taak; de stal vrij houden van muisgespuis. De functie van mijn ouwe (in leeftijd jammer genoeg niet eens zo oud geworden) rooie kater? Eigenlijk niet meer dan overal in de weg liggen.
Mijn bollen wol blijven nu haarvrij. Het toetsenbord van de PC is helemaal voor mij, ook als er net toevallig een straaltje zonneschijn op valt. Op het douchematje hoef ik me niet meer wijdbeens balancerend af te drogen, nog een boze blik ook als ik per ongeluk op hem lekte. En in alle vensterbanken is weer plaats voor plantenpotten. Maar het is kaal en leeg in huis.

Ik ben hem blijven aaien totdat – de woorden van de dierendokter, ook zo mooi – zijn ogen ‘gebroken’ waren. Hij ligt nu begraven in de achtertuin, vlakbij de treurwilg, met een eigen grafsteentje met hopelijk watervaste viltstiftletters.


Het duurt nog eventjes voordat er een nieuwe kat of kattin intrede doet in ons huis en hart. Maar dat gebeurt. Ze hebben ook nog eens negen levens, toch? Dus wie weet…

maandag 10 maart 2014

Achilles


Motorrijden doe ik niet, maar sinds kort begrijp ik wel het vriendschappelijk handopsteekgebaar ‘on the road’. Het schept een band, ‘rolling on wheels’. Het is vast een soortgelijke verwantschap tussen al die renners met glimmende legging, dopjes in de oren en gelaatskleurschakeringen van roze tot dieprood, afhankelijk van de afgelegde (kilo)meters en de geoefendheid van de benen om de klappen op te vangen.


Wij (h)erkennen elkaar. Elkaars zwoegen, elkaars zweten. Ja, wij! Sinds kort ben ik ‘one of the guys and girls’. Wij sportievelingen, die denken dat we het heft in eigen handen (en vooral voeten) nemen. Wie echt kritisch kijkt, ziet een soort van afstand bestuurbare poppetjes die zich laten leiden door een onzichtbare coach die je door het hele park schreeuwt “Je kunt het, je kunt het!”.
Zelfs degenen die zich vroeger het liefste verstopten tussen de nattige jassen in de kleedkamer bij de verplichte gymles op school, rennen nu met fanatieke blik hun rondjes.
Hoe ik dat weet? Omdat mijn geheugen het nog best goed doet.

Heel wat minder is het met mijn vermogen tot dosering. Sinds kort ren ik ook mijn trainingsrondjes. Puffend, hijgend, maar vooral gemotiveerd to the max. Als ik eenmaal ben gestart, ben ik niet zo goed meer te stoppen. Rustig aan opbouwen? Dat is mijn achilleshiel.
Peptalk en opzwepende muziek geven me bijna vleugels. Discodansend vlieg ik door het park. Speedy Gonzales. Hands up naar al die collega-renners. Wat zijn het er veel! 
Rollin rollin, rawhide.

Het is niet alleen het uptempo van de klanken die uit de MP3-speler rollen. Ook zonder renschoenen hol ik mezelf nogal eens voorbij. Dat heb je met de combinatie van al wél een beetje oud, maar nog niet het bijbehorende wijs. Toch, ren-je-rot gaat op een gegeven moment niet meer op. Fonkelnieuwe sportschoenen aan de voeten, paars met roze, met een demping in de zolen waarvan je bijna automatisch omhoog veert. Helaas, de spierpijn (eerder die week opgelopen op de ouwe, jarenlang ongebruikte sportschoenen) trekt niet snel weg. Al bij de eerste minuut schiet er een pijnscheut door mijn rechterenkel. Kom op, we zullen doorrrrgaan. Nu stoppen is zonde.

Niet alleen met droge tong en kloppende borstkas stap ik na afloop de voordeur weer binnen. Vooral kreupel strompel ik de trap op, naar de douche. Minstens even kreupel kom ik de volgende morgen mijn bed uit. Mijn dikke enkel pas ternauwernood in mijn laars die normaal gesproken drie wintersokken over elkaar kan herbergen. Maar het moet, want er staat een cursusdag op het programma. Gelukkig met veel zitten. Als ik me voor de lunchpauze met moeite omhoog hijs, voel ik bijna verwantschap met die ene mevrouw in een rolstoel.

“Nou, ik zou maar even naar de huisarts of zelfs fysiotherapeut gaan,” adviseert een vriendin (ook op de cursus), met ervaring in rennen en blessures (en ook in motorrijden trouwens). Om een vrolijke draai aan de dag te geven, is ze best bereid me even rond te rijden in de leenrolstoel die ik nu toch geoorloofd mag gebruiken.

Enig google-diagnosewerk ’s avonds thuis, bevestigt de suggestie van de sportieve vriendin. Waar ik last van heb, is de beruchtste van alle hardloopblessures, alleen te genezen met: rust! Een beschadigde achillespees. Een gevoelige pas op de plaats. De Oude Grieken en Romeinen wisten het al: rennen is niet alleen een oefening voor het lichaam, maar vooral ook voor de geest.