woensdag 18 maart 2015

Strafschopgebied

Het zijn de ogen van het meisje – helblauw – die direct de aandacht trekken. Slechts zichtbaar in een flits, want ze rent hijgend voorbij en haar lange blonde haren slierten half voor haar gezicht. Toch is die ene seconde genoeg voor het overzien van de hele situatie, in een oogopslag.

Een sportieve zondagmiddag, wandelzolen die een bijna onuitwisbaar patroon achterlaten in het rulle zand. Toch is dat wegzakken niet de reden van mijn vertraagde pas. Het is het vrolijke tafereeltje, op de grens van hei en bos. Drie figuurtjes, twee grotere en een wat kleinere, die pingelen met een bal. Hun schaterlachen wordt luider naarmate we naderbij komen, mijn wandelgezel en ik. Schril contrast met het meisje dat ons net voorbij is gestoven.

Vlak voordat we passeren, staken ze hun spel en lopen verder. De groten (man en vrouw) hand in hand, de kleinere – een jongetje van een jaar of zeven – huppelend ernaast. Bal onder de arm. Niks bijzonders. En toch, er is een magnetische kracht die me bijna terugtrekt. Naar het meisje, inmiddels ver weg, een minuscuul mensje aan het begin van het bospad.

De drie-eenheid voor ons houdt de tussenruimte op peil. Niet één keer blikken ze over hun schouder. Links rechts gaan hun voeten, in zelfverzekerde tred. Voorwaarts mars, terwijl bij mij de onrust groeit.
“Zag je dat meisje?” sis ik naar links.
Een verbaasde blik is het antwoord. Mijn wandelmaat heeft niks gezien, kijkt verbluft achterom.
“Die hoort er toch helemaal niet bij?”

Dat stel stapt en stapt maar. Waarom in vredesnaam staan ze niet één keer stil? Waarom kijken ze niet om waar ze blijft, dat verre wezentje, nu half achter een struik, maar leuk verstoppertje speelt ze niet.

Eindelijk! Het zijn de passen van de man die een verstoord ritme krijgen. Zijn hand die zich terugtrekt uit die van de vrouw. Zij stribbelt nog wat tegen, probeert hem mee te trekken. Voordat hij, wat aarzelend, de terugtocht inzet, vang ik een flard van haar woorden.
“….. nergens voor nodig.”
Zij blijft staan, wat bozig, handen in de zij. Dan slaat ze haar armen om het jongetje, en geeft een dikke klapzoen op zijn haar. Een ontroerend hecht tafereeltje, wat kan een moeder veel houden van haar kind.

Ik wil er niks mee te maken hebben, en ben tegelijkertijd benieuwd wat er gaat gebeuren
We moeten door, de trein halen aan het einde van de rit. Maar ik kan niet doorlopen, iets houdt me tegen. Eindelijk komt vader terug, het meisje er stilletjes achteraan. Het voetbalspel is definitief ten einde, maar evengoed loopt zij nog zichtbaar buiten spel. In een soort onafgebakend strafschopgebied.

Als ik ze nakijk, hoop ik dat de vrouw de nieuwe vriendin is van de man, en niet de moeder van het meisje. Dan is er tenminste een reden die met terugwerkende kracht is te analyseren, later.

Maar ik ben bang dat dat niet het geval is. Jammer eigenlijk dat ik zulke dingen zie.