maandag 24 februari 2014

Wat heb je aan?

Heeft tekstschrijven toekomst? Dat die vraag dit jaar de rode draad was in de nieuwjaarstoespraak van mijn branchevereniging geeft te denken. Wie schrijft die blijft? Met de vluchtigheid van digitale woorden valt er weinig anders na te laten voor het nageslacht dan losse flodders van gedachten. In plaats van tastbare boeken die je er nog eens op na kunt slaan. Of zo'n knisperend vers magazine, met van die glimmende bladzijden. Kom daar nog eens om, vandaag de dag. Om lekker nog even in te bladeren in bed of – nog relaxter – in bad. Met je iPad ga je toch niet zo snel te water.

Edoch, wie wil blijven bestaan als ‘broodschrijver’ moet zelf een beetje creatief en grensverleggend bezig blijven. Anders prijs je jezelf uit de markt. Als individu én als beroepsgroep. En dan staan we voor we het weten in de lijst van oude ambachten. Tussen Schrijnwerker en Schuijermaker.


Nee, dan toch liever de S van nieuwe Start!
Iedere bedreiging is een kans. Nieuwe middelen, nieuwe mogelijkheden. De hashtag. #tekstschrijvers. In het lijstje van (veel) aanbod en (weinig) vraag begon mijn werkweek met een uitnodigende tekst. 
“Creatieve tekstschrijvers gevraagd. Per direct!”

Een goed salaris met flexibele uren, gedreven,” biedt de adverteerder. Mijn ogen glijdend over uitnodigende regels begin ik gevoelsmatig steeds beter in het profiel te passen. “Enthousiaste en vooral creatieve mensen.” 
Als een maatkostuum!
Bij de “beschikbare bonussen voor goede prestaties” blijft mijn intuïtie even haperen, dan stoot ik direct door naar de eindfrase.

“Schrijvers die staat zijn zich keer op keer te vernieuwen en blijven verrassen met nieuwe creativiteit. Mensen die beschikken over een onuitputtelijke bron voor het schrijven van …
korte, prikkelende erotische teksten."


Tsja, die moeten ook geschreven worden. Maar de slotregel “Alle uren buiten 8:30 en 18:00 vallen onder thuiswerk met een verhoogde vergoeding,” zet de term “resultaatgerichtheid” toch even in een ander licht.

Voordat ik er erg in heb, zit ik weer even op sollicitatiegesprek bij de uitgever die me ontving in een soort huiskamerachtig kantoor. Hij had van zijn hobby zijn beroep gemaakt, vertelde hij met een vette knipoog, met daaraan vast direct de vraag: “Hoe weet ik dat je het kèn, schrijven?”
Met zweterig ogende handen, met aan bijna iedere vinger een zegelring, wees hij naar de chaise-longue-achtige pluchen bank. Als er niet genoeg tekstwerk te klaren was, had hij nog wel wat andere klusjes te doen.

Ik ben absoluut voor ‘thinking out of the box’ en mijn best al grote comfortzone mag best nog wat worden opgerekt. Maar dit past toch niet precies in de profielschets van “tekstschrijver” zoals ik die voor me zie.

Is het toevallig dat ik die avond nog tot ver na middernacht naar de radio luister? Op het plankje boven mijn bed ontspint zich een gesprek tussen een melige disc-jockey en een vrouwenstem met een rondborstig geluid. Niet zoals het profiel van de beoogde erotische woordenrijgster, maar meer zoiets van stoer en struis en bloemetjesschort.
Kennelijk hoor ik het goed. Want het antwoord op de vraag “wat heb je aan?” schudt me wakker van het lachen.
“De radio!”


Ineens weet ik wat ik ga doen. Luisterboeken schrijven.

Van de wereld en de grenzen


Denkend aan mijn kindertijd, zie ik soms die bal, bestaande uit zeshoekige vakjes van kunstleer. Een verjaarscadeau dat meer uitnodigde tot nadenken dan stuiteren en schoppen, vooral omdat ik me er over bleef verbazen hoe al die losse stukjes samen zo’n perfecte ronding konden vormen. Het was in de tijd dat ik me nog vol overgave kon inleven in sprookjesboeken, en fan was van mijn allereerste idool, Rob de Nijs. Zijn plaatje draaide ik op een krakerige pick-up. “Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula. Ik zie het hier niet zitten, ik ga naar Amerika.”





Sprookjesperspectief heeft plaats gemaakt voor realiteit. Rob de Nijs heeft overigens wel bewezen dat sprookjes bijna bestaan. Wie wordt er, dik in de 70, nog vader? Met een partner die bijna een halve eeuw jonger is? Doornroosje en Sneeuwwitje heb ik verruild voor de krant (misschien omdat de nieuwswaarde van hen wat is vervaagd?) en ook van nieuws kan ik blij worden. Soms! Tussen alle bomaanslagen, schiet- en moordpartijen door.

Een tijdje terug was er weer zo’n positieve impuls. Volgens minister van Onderwijs Jet Bussemaker moet Nederland zijn best doen afgestudeerde buitenlandse studenten hier te houden. Haar motivatie is gebaseerd op een rekensommetje van het Centraal Planbureau dat jaarlijks een slordige 740 miljoen euro verdiend kan worden als een op de vijf buitenlandse studenten (bijna 90.000 per jaar) blijft.
Van die bedragen heb ik weinig verstand, maar het lijkt me logisch dat het zonde is als alle aan Nederlandse hogeschool of universiteit opgedane kennis naar elders verdwijnt. Tenslotte hebben ‘wij’ toch met z’n allen geïnvesteerd in die buitenlandse jongens en meisjes die hier hun denkhoofd kwamen vullen? Laat ze dan ook bijdragen aan onze kenniseconomie.

Dat nieuwsbericht kreeg persoonlijkheidswaarde door een Iraanse vriend. Zeven jaar geleden kwam hij, technisch afgestudeerd in Teheran, naar Nederland. Zijn geplande opdracht van een maand (in de ICT) werd verlengd met een kunststudie op HBO- en aansluitend masterniveau. Grensverleggende nieuwe mogelijkheden. Geld heeft dat onze regering niet gekost, want als student van buiten de Europese Unie kwam hij niet in aanmerking voor studiefinanciering. Bovendien betaalde hij driemaal zoveel collegegeld als ‘ingezetenen’. Via de liefde (tweeënhalf jaar was hij de partner van onze dochter) heeft hij Nederland van binnenuit leren kennen. Terugkeer naar Teheran is niet meer mogelijk, want in zijn thuisland worden ‘weglopers’ niet bepaald met warme armen verwelkomd.
(Je hoeft niet eens zo vaak naar het Journaal te kijken om te zien hoe bepaalde regimes functioneren). Met Iraans heimwee in zijn hoofd en hart is ons land zo’n beetje zijn tweede vaderland geworden.

Dat er eisen worden gesteld aan buitenlanders voordat ze officieel worden toegelaten, is best begrijpelijk. Daarop heeft hij dan ook goed geanticipeerd.
Nederlands leren. Check! Alle inburgeringexamens gehaald en bijna accentloos sprekend.
Economisch onafhankelijk zijn. Check! Gewerkt naast zijn studie, en nu een vaste baan.

Evengoed, die brief van de IND. Een aanmaning om het land te verlaten. Reden: onbekend. Bestemming: al niet veel bekender. Na een half jaar depressief vechten voor een hoopvollere uitslag ontvouwde hij gisteren zijn plan. “Amerika misschien.” Zonder de blije blik en de opgewonden spanning die hoort bij ‘een nieuw leven tegemoet’. Want de vliegreis wordt letterlijk een vlucht.
Een retourtje boeken, terwijl je weet dat je niet terugkeert.
Interen op je laatste spaartegoeden, omdat je daar niet werken mag.
Een kamer proberen te scoren en de begintijd overleven in de duisternis van illegaliteit.


 


Gisteren bezochten we de schapenboerderij van een vriendin. Ik zag hoe hij daar stond, in de stal, zijn voeten in het stro. Een Hollandse geest met donkere oogopslag en een wit lammetje in de handen. Even kwam de associatie bovenborrelen met dat reclamefilmpje van alweer jaren terug met in de hoofdrol die bukkende man met een zwarte baard. “Gewoon een tegelzetter.”
De nieuwe variatie op een thema: geen rituele slachting, maar het Hollandse lentegevoel. Waarschijnlijk voor de laatste keer.

De wereld is geen vakjesbal, maar er zijn grenzen. Het leven is geen sprookje. Heel wat minder makkelijk te accepteren is het ogenschijnlijk grillige lijnenspel van de regelgeving. Waarom moet iemand die aan alle wettelijke voorwaarden voldoet zomaar weg? Valse voorwendsels hadden hem misschien een stuk verder kunnen brengen, maar… eerlijkheid duurt toch het langst?

“Het leven is een dans,” lijkt de wonderschone theorie van Meester Prikkebeen, de vlindervanger en broer van zuster Ursula. Maar wat is de lol van zo’n stoelendans als er geen plaats voor je is? Vertrekken naar het land van de ongekende mogelijkheden? Hoe aanlokkelijk klinkt dat als je – ongewild – ergens weg moet waar je je net begon thuis te voelen?
Dag vader en dag moeder… dat wordt dan toekomstmuziek met trieste ondertoon.






zondag 23 februari 2014

Hollen… eh rollen naar de eindstreep



Rijden, rijden in een wagentje,
oh, wat is het leven fijn.
Want ja, voor zelf lopen,
ben je nog een beetje klein.

Dan je eerste pasjes leren.
Voor de mensheid niet bijzonder,
maar voor jou een superstap.
Op je eigen benen balanceren,
wat een wonder!
En je klimt al zelf de trap.

De wereld, die ligt voor je open,
en je bent niet eens verbaasd.
Want wie eenmaal zelf kan lopen,
krijgt ineens gigantisch haast.




Bergen, dalen, vergezichten
fietsen tegen sterke wind
volle tassen aan het stuur
voor- en achterop een kind
geen moeheid en geen slijten
met grijze haren naar die steile top
ook al moet je jezelf verbijten
energie kan toch niet op?

Altijd en eeuwig in the run,
en wat is het snel gegaan.
Time flies when you’re having fun
nooit tijd om daarbij stil te staan.

Het tempo houdt je in de greep.
Passen op de plaats zijn pas voor later.
Maar hollend naar de eindstreep?
Dat wordt misschien wel de rollator.




Relaxed rollen, dat is vlug genoeg.
Tijd om te genieten van wat er is geweest.
Rennend bereik je het einde veel te vroeg,
tot de finale hopelijk nog wel jong van geest.

Regelmatig raken we verrast,
leven loopt vaak anders dan we dachten.
Maar één ding dat staat vast:
de finish? Die mag nog even wachten!