woensdag 22 januari 2014

Wijzer met tijd


Tijd is tijd. Had je gedacht! Na hoogte, breedte en lengte wordt tijd wel beschouwd als de vierde dimensie, maar wel eentje met rek. Tijd kan krimpen en uitrekken, afhankelijk van hoe je ermee omgaat.


Tijd is tijd. Die les is er in mijn jonge jaren stevig in gehamerd. Als baby bleek ik een vlotte babbelaar, al in de box brabbelde ik mijn eerste woordjes. De aanvankelijke vreugde van mijn ouders was snel verstomd toen dat praten niet meer overging. En ze vonden dat ik zelf ook maar wat stiller moest worden. Regelmatig werd ik tot zwijgen gemaand, en ik mocht pas weer praten als ‘de wijzer van de klok boven zou staan’. (hopelijk zeiden ze dat niet 5 over heel). Het duurde úúren, dat ritmisch tikken van de tijd, net als het staren naar de schokjes waarmee de wijzer zijn eindeloze ronde maakte. Een kind raakt daardoor van slag.

Maar… een vrouw van de klok. Als het klopt dat in je jeugd de basis wordt gelegd voor je persoonlijkheid, komt het vast door dat turen naar de uren dat ik meestal stipt op tijd ben. Bijna. Of is dat gewoon een Hollands trekje, niet mañana maar nu?
Edoch, wat ís dat nu eigenlijk, tijd? Ja, 60 seconden per minuut, 60 minuten in een uur, 24 uren in een etmaal. Maar is that all there is?
Nu moet ik op mijn tellen passen, want tijd is een rekbaar begrip. Wetenschappelijk bewezen! Door Einstein met z’n relativiteitstheorie. Dat zal best kloppen. Met iemand die zoveel wijzer is ga ik de strijd niet aan. En toch…



Iets praktischer duidelijk werd het toen ik ging mailen met een vriendin in Nieuw-Zeeland. Vanuit mijn perspectief leeft zij letterlijk op z’n kop. Als ik aan mijn 11uur-kopje koffie zit, kruipt zij net in bed. Eigenlijk lijkt het net alsof zij altijd slaapt. Maar ja, wie weet denkt zij dat ook van mij? Het is maar net van welke kant je het bekijkt.

Op mijn speurtocht naar meer begrip over tijd stuitte ik op spannende, maar niet altijd begrijpelijke, verhalen over zwarte gaten ergens in de ruimte. Als je daar doorheen zou zweven, reisde je duizenden jaren voorwaarts of – met hetzelfde gemak – terug in de tijd.
Zo hoogdravend hoeft het allemaal niet. Tussen de rekken van de bieb - rennend, want ik heb weinig tijd - viel mijn oog vorige week op een titel die me trok als een magneet. “Tijd maken”.
Wat Steve Taylor schrijft is niet eens écht nieuw (“de tijd vliegt als we het naar onze zin hebben, en gaat in slow motion als we ons vervelen.” Ja duh, time flies when you’re having fun!), maar de achterliggende theorie? Die klinkt als eh, een klok!



Het gaat niet om de tijd an sich, maar om onze perceptie (beleving) van tijd. Die kunnen we veranderen. Door een interessant leven te leiden met veel nieuwe ervaringen stop je veel meer tijd in je tijd. 
Als de buren op vakantie zijn en ik nog maar nét gewend ben aan mijn dagelijkse ritueel om hun konijn een worteltje te brengen, komen ze alweer terug. Was dat nou de moeite?
Ja, want voor hun idee ligt er tussen de straat uitrijden met piepende wielen onder een volgeladen achterbak en de terugkeer met wapperende haren en een rieten strohoed een wereld van verschil.
Voor mij stond de tijd zo’n beetje stil, voor hen is die uiteen geschoven als harmonica.

Mooi toch, hoe je de psychologische beleving van tijd kan beïnvloeden door ergens intensief in op te gaan of nieuwe, verrassende belevenissen mee te maken? Zo kan iemand die sterft op zijn 35ste wel meer geleefd hebben dan iemand van 80.

Eerlijk is eerlijk, eigenlijk wisten we dat allang. Maar het is soms goed om daar nog eens bij stil te staan. En daarom citeer ik die ouwe wijsheid van lang geleden:


“De tijd gaat snel, gebruik haar wel.”




Boek: Tijd maken, door Steve Taylor (uitgeverij Ankh Hermes)




dinsdag 21 januari 2014

Gelukswater



Hopelijk heeft iedereen 'de meeste depressieve dag van het jaar' (Blue Monday) goed doorstaan? Ups en downs blijven er, het hele jaar door. Maar vandaag misschien... Red Tuesday? ; - )



Is een mens echt half gemaakt van water?
Meestal kan je daar toch niets van zien.
Maar bij tegenwind klinkt er soms geklater,
en stroomt het weleens over bovendien.

Loopt er een beekje diep van binnen?
Lieflijk kabbelend langs een groene wei?
Zo mooi, dat kan je toch alleen verzinnen,
Want… wie is er altijd alle dagen blij?

Soms kan het binnen keihard klotsen,
en sla je haast te pletter op de kant.
Nog beter dan de pijn van scherpe schotsen,
geen verschil meer voelen tussen ijs en land.

Als het water oeverloos gaat stijgen,
en je in woeste golven wordt meegesleurd.
Verdrinkingsdood lijkt levensecht te dreigen,
zeeziek van angst dat dit ook echt gebeurt.

Maar dan ineens, de storm waait over,
je vindt weer koers op het kompas.
Zo voelt het bijna als getover,
opnieuw balans, of heet dat … waterpas?

Levenswater, dat blijft altijd grillig
diepe grotten, stalactieten aan het dak.
De ene keer relaxed en zo gewillig,
go with the flow, op je gemak.

De andere keer verdwaal je in spelonken,
is het kil en donker om je heen.
Maar de echo heeft nooit zo mooi geklonken,
als in die kille akoestiek van steen.

Bij hoog water gaan de sluizen open,
dikke druppels uit het meer van verdriet.
Op betere tijding kan ik alleen maar hopen,
maar voor even voel ik me een soort vergiet.

Soms koppie onder in de waterval,
maar wel geschrobd en schoon gespoeld,
lukt het toch weer te klimmen uit het dal.
‘k Heb me nog nooit zo goed gevoeld!

De beste golfbeweging van het leven,
blik op geluk in plaats van pech?
Is dat niet iets om naar te streven?

Waar een wil is, is een waterweg.


Als de H mag staan voor Happy wordt H2o een geluksformule.

dinsdag 7 januari 2014

Gelukkig & gezond gaat niet altijd over rozen


De kop is eraf. Het nieuwe jaar is al niet echt nieuw meer. Nog een paar dagen kunnen we het elkaar toewensen, liefst met stralende lach: veel geluk in 2014. Oja, en een goede gezondheid. Dat laatste wordt er zo’n beetje bijgemoffeld, want eigenlijk is dat toch vanzelfsprekend?

De meeste mensen onderschatten de waarde van hun gezondheid. Ze komen er pas achter als ze die al aan het verliezen zijn. Die tekst riekt naar moraliserende woorden, een wijsheid op een tegeltje. Maar daarom niet minder waar.
Op de grens van oud naar nieuw, precies in de periode waarin we het elkaar zo spontaan uit de losse pols toeroepen, “gelukkig en gezond nieuw jaar” was er – nog vóór het vroege oliebollen haleneen onverwachtse wending aan de dag. Mijn echtgenoot, zo gezond als een vis, stond op met pijn in de borststreek. Met een vader die ooit overleden is aan een hartkwaal, is dat niet fijn.

Na een telefoontje met de huisarts kwam alles in een stroomversnelling. Tien minuten later zat ik in de wachtkamer, manlief in de spreekkamer. Een kwartier later was die situatie onveranderd. Waarom duurde het zo lang? Er was vast iets ergs aan de hand. Het was dokter himself die me opschrikte uit mijn gepieker. Of ik ook even wilde komen. Ik moest niet schrikken, want  … daar lag mijn echtgenoot, gevloerd en met een grijzige gloed over zijn gezicht.
“Ik heb hem een spray gegeven onder de tong,” haastte de medicus me met informatie te kalmeren. “Om zijn bloedvaten te verwijden, om te checken of echt iets mis is met zijn hart. Maar ja, iemand met een toch al lage bloeddruk als uw man, kan daarvan flauwvallen.”

Met een korte sprong door tijd en ruimte bevonden we een klein half uur later aan de balie van de spoedeisende harthulp. “Met de lift naar boven graag,” maande de receptioniste. Dit was duidelijk serious stuff, niet even een sprintje op de trap. “Vraagt u op de vierde verdieping maar naar…”
De naam van de verpleegkundige die ons zou opvangen, herinner ik me nog dankzij de opmerking van de goedlachse man in het groene kostuum die net vanuit de klapdeuren tevoorschijn kwam. Een cardioloog?
“Kan ik u helpen?”
“Wij zoeken Sandra.”
“Haha, nou die staat daar al op u te wachten. Hebt u toch wel rozen meegenomen?”
Die lollige verwijzing naar het stokoude lied van – was het Ronnie Tober – stelde alles even in een ander licht.

Even, want zodra je man in een van de ziekenhuisbedden ligt, omhuld door zo’n wit gordijn aan een roe, met talloze plakkertjes aangesloten op een monitor die de hartslag registreert, lijkt alles toch weer bloedserieus. In de roes van ECG-hartfilmpje en bloedonderzoek verdampten en bevroren de minuten tegelijkertijd. Tijdens de röntgenfoto (“We nemen uw man even mee in de rolstoel”) vielen ze me pas op, de ambulancebroeders en -zusters die in en uit renden in dit zenuwcentrum van het ziekenhuis. Aan de andere kant van het witte gordijn maakte een oudere patiënt (incontinent? Of gewoonweg bang?) zijn bed nat. Snel en efficiënt werd hij verschoond, de man er nog in. In die hectiek bleef Sandra de rots in de branding, voor zo’n beetje iedereen.

Halverwege de middag bracht ze de primeur van het verlossende woord: geen afschrikwekkende afwijking geconstateerd en mijn man mocht naar huis. Ze leek net zo blij als wij en vond zelfs tijd voor nazwaaien. Met een ommetje langs de bakker werd het toch nog de jaarwisseling thuis, mét oliebollen.

Schril is het contrast met de kaart die arriveert na het vuurwerk, tussen de laatste kerst- en nieuwjaarswensen. Afkomstig van vrienden. Hun zoon was niet meer.
“Zijn leven was klaar, op zijn eigen tijd” meldt de licht mysterieuze omschrijving.
Zwaar is de harde werkelijkheid; in de ‘gesloten’ inrichting was hij erin geslaagd een opening te vinden: een dakraam (gek dat ze zulke dingen ‘lichtkoepels’ noemen) en de trieste werkelijkheid laat zich raden.
Over een paar dagen is de crematie.
“Onze zoon hield van bloemen.”

Met de kaart in mijn hand denk ik nog even aan Sandra. We hebben haar niet eens rozen gebracht. 


maandag 6 januari 2014

Met wifi in de wolken

Net zoals je niet ineens een fantastisch pianist bent als je maar een dure, glimmende vleugel koopt, heb je ook niet automatisch alle mogelijkheden van mobiele communicatie in de greep. Zo op het eerste gezicht lijkt de parallel vast ver te zoeken. Dat snap ik. Maar als ik vertel dat het er eindelijk van is gekomen, de aanschaf van mijn nieuwe mobiel, dan kan ik er meteen bij vermelden dat er aanvankelijk weinig muziek in zat. Ik wist niet eens hoe ik mijn nieuwe SIM-kaartje moest activeren. 



Goede raad bleek gelukkig niet al te duur. Een vriend met technisch vernuft wilde me ‘best even helpen’. Dat even werd langer dan gedacht, want zo simpel bleek het allemaal niet. Dus dáárom heet zo'n ding een smart-phone. Op allerhande locaties in de virtuele wereld die internet heet, moest ik persoonlijke informatie prijsgeven. Pas daarna gaf een mysterieuze grootheid de beloning: de opname van mijn Sony in de virtuele wereld. En dat niet alléén. “Moet je kijken hoe handig,” toonde mijn redder in technologische nood. Met brede lach toverde hij foto’s op het gloednieuwe scherm van mijn telefoon die ik er nooit in had gezet. Mijn verbazing vond hij ‘erg grappig’, want die foto’s stonden allemaal in zo’n Picasa-album en waren zichtbaar via een simpel linkje. Overal waar maar internet was. 

Nog een verbaasmoment was de extra app die op mijn telefoon werd geïnstalleerd; mocht die ooit gestolen worden, zou er automatisch een foto van de dief wordengemaakt. 
Wààt? Werd die foto dan ook direct doorgemaild naar het politiebureau? 
Dat nog nét niet, maar – zo showde de vriend een landkaart op zijn PC – “er is wel altijd precies te zien waar je mobiel zich bevindt.” 
Het bleef nog lang onrustig in mijn hoofd, want hoe kan je je veilig voelen als je halve doopceel daar ergens boven in de wolken hangt? En altijd zichtbaar is wat de locatie is van mijn telefoon, en dus ook van mij. Hoezo privacy?  

Nog erger was dat ik zelf de volgende morgen op de computer geen toegang meer had tot mijn eigen informatie. Ik had mezelf nog wel zo ICT-handig gevonden bij het aanmaken van zo’n account voor het delen van documenten - Dropbox - maar nu was die ‘snoeppot’ ineens eng leeg. Waar was alles gebleven? Zoeken op YouTube naar een oplossing lukte totdat…ik het instructiefilmpje wilde afspelen. Ook dat ging niet meer. Het scherm schoot onverbiddelijk op zwart. Wat nou, simpel ‘sharen’ via een link? Pislink zal je bedoelen! Ik voelde me boos, gefrustreerd, oud, en vooral heel erg ‘out’. 

Met ‘a little help from my friend’ en een vleugje TeamViewer (een programma om met een wachtwoord in iemands computer te kunnen kijken) werd het probleem vanaf afstand professioneel verholpen. Wederom met een hele riedel persoonlijke gegevens. 
Het gaf me een wat onbestemd gevoel in de maagstreek. Had ik nu zelf nog wel de controle over wat ik waar aan wie laat zien? Toegegeven, voor wat hoort wat. Wie graag gebruik maakt van het moderne genot, moet niet te moeilijk doen. Maar toch…het was griezelig duidelijk, het sprookje ‘1984’ van George Orwell is écht. ‘Big Brother is watching you’! Wie goed naar het Google-logo kijkt, ziet het eigenlijk al. Twee scherpe ogen die alles in de gaten houden. 
Eén voordeel, het wordt vast niet saai, later, na onze dood. Met al die overload aan informatie is daarboven ‘in the clouds’ heel wat te beleven. Hopelijk hebben ze wifi in de wolken, want natuurlijk willen we ook van tijd tot tijd een live update right from earth. Pardon, Google Earth. Alleen ben ik bang dat ik het allemaal weer niet begrijp. Eigenlijk weet ik nu al hoe mijn wolkje eruit zal zien…