vrijdag 20 april 2012



Auto-trance

Vrijdagmiddag, na een drukke week. Met de adrenaline nog gutsend door de aderen vraagt omschakelen naar ontspanning enige gewenning.Je geest vrij maken van alle opgedane ervaringen is ook best hard werken, maar ik doe mijn uiterste best. Welwillend.



Ik voel me veilig in het stalen cocon van mijn floating tank. Even geen remmingen, maar vrijheid blijheid. Het lukt steeds beter te relaxen. Bijna automatisch ga ik van links naar rechts, en weer terug. Heen en weer. De deinende golfbeweging laat de mooiste ideeën bijna vanzelf bovendrijven. Gedachten komen en gaan, en glijden van me af. Ik kan bijna voelen hoe ze mijn energiebanen voeden.

En als ik, eerst voorzichtig en dan steeds uitbundiger, probeer hoe mijn stem klinkt, word ik verrast in de melodieuze geluidskooi. De overmoed kaatst van de wanden naar me terug, en vult de hele ruimte met een gelukkige juich. 

In volle vaart het weekend tegemoet. Om me heen een mengeling van kleuren, in elkaar verweven, uiteenwaaierend tot een artistiek palet. Ik vlieg. En ook al is het dan ook zonder vleugels en niet al te hoog, het is een prachtige vlucht. 

Mijn ogen zien weidse vergezichten, klotsende golven, stralen licht. Concentratie is niet nodig. Een zachte stem wijst me de weg, leidt me in de juiste banen. Ik hoef niet anders te doen dan louter volgen. Go with the flow. Al een beetje in trance voor de weekendcadans. 

Dit is een good trip. Bijna hallucinerend. Op weg naar nergens. Ja toch, op weg naar even los van alles en iedereen. En dan… bestemming bereikt… sta ik op de oprit. Het einde van de autorit naar huis. 

dinsdag 3 april 2012

Inburgering; zonder koffie, met geroezemoez


Waar komt toch dat cliché vandaan dat buitenlanders –mañaña, tempo doeloe – altijd zoveel trager zijn dan wij, Nederlanders? Op de dag dat mijn Turkse taalvriendin inburgeringsexamen moet doen, wil zij al om negen uur ’s morgens afreizen naar Amsterdam, terwijl ik twee uur later nog vroeg genoeg vind.



Al 20 minuten van tevoren staan we op het perron. Voor mij iets totaal nieuws, meestal kom ik pas op het allerlaatste moment aanrennen. Wie weet is het dan toch waar… dat alleen Nederlanders dat kunnen: omdat ze snel zijn?

Voor onze nationale logistieke trots gaat die kwaliteit helaas lang niet altijd op.
‘Vijf minuten vertraging’ meldt het bordje boven het perron, op de tijd dat de trein had moeten binnenrijden. Als we er eenmaal inzitten, de gele blauwgestreepte limousine over het spoor, krijgen we de melding dat we er het volgende station alweer uit moeten. Een treinstel uit de rails gelopen ergens onderweg.  Praktijkervaring Nederlandse cultuur nog voordat het examen begonnen is. Niet goed om de stalen zenuwen in bedwang te houden, maar dankzij een be’rijd’willige echtgenoot lukt het gelukkig toch op tijd te arriveren: over de snelweg.

Als mijn vriendin nog natrillend in  het examenlokaal is verdwenen, blijf ik - samen met tientallen kandidaten - achter in de wachtruimte, waar de koffiemachine het niet doet. Geen visitekaartje voor een land dat beweert een koffiecultuur te hebben. Waarom staat hier niet zo’n supersonisch George Clooney-apparaat?

Is het gek dat juist nu het Novilon, in gedekte tinten, me een beetje doet denken aan koffie met slecht doorgeroerde melk? Voorzichtig gluur ik om me heen. Dit zijn ze dus, de nieuwe Nederlanders. Al die gezichten vormen een palet van vele nuances bruin. Van bijna zwart tot … tsja koffie verkeerd, en sommige gezichten misschien net een tintje lichter dan normaal door de examenvrees. Een smeltkroes van kleuren, maar koffie ho maar!

De verbroedering is er niet minder om. Nervositeit is internationaal. Deze mensen, afkomstig uit talloze landen en hun gemeenschappelijke nieuwe taal nog nauwelijks machtig, verstaan elkaar. In woord of gebaar. De een woont in Utrecht, de ander in Zeist. Maar hoe leg je zonder enig referentiekader uit waar die plaatsnamen voor staan? Twee of drie jaar in Nederland; de verblijftijd hier is de graadmeter waarop men elkaar beoordeelt. Geroezemoes, eigenlijk best een mooi mysterieus woord. Vooral als je die laatste ‘s’ als ‘z’ uitspreekt.

Hoofddoekjes, gehaakte petjes. Soms voor de lol, soms voor de religie. En soms heeft het niet veel om het lijf. Een heel rijtje mannen in karakteristieke positie, benen wijd, druk bezig ter kruishoogte. Met de apps van hun mobielen wel te verstaan. Qua uitstraling volledig ingeburgerd.

Sommige mannen zien er nog zo exotisch uit - zelfs verkleed in jeans - dat ze zo teruggeplaatst zouden kunnen worden in de bushbush. Ojee, dat klinkt politiek verdacht.Zo’n karakteristiek ogende Afrikaanse man zetelt tegenover me, met een spannend knisperig pakketje op zijn schoot. De magie vervliegt zodra ik zie wat eruit tevoorschijn komt: Mariabiscuit.

Wapperende zwarte jassen vliegen voorbij, bij de oproep: NT2 startklaar. Geen idéé wat dat betekent. Dan schuift er een man met fonkelende ogen naast me. Een ondeugende steelse blik opzij. Hij komt uit Izmir in Turkije, woont vier jaar in Nederland en heeft een Nederlandse vriendin. Ach was ik maar zo’n 20 jaar jonger, had hij geen partner en was ik niet getrouwd. Reken maar dat het dan verder had kunnen komen dan dit vluchtige gesprekje. Hij moet óp voor Nederlandse conversatie, voor de vijfde keer. Hoe bestaat het dat hij al vier keer gezakt is, zo uit de losse pols doet hij het perfect.

Er ontstaat even wat commotie over de kandidatenlijst.
“Meneer Azoe, u bent toch al geweest?” meldt een pinnige mevrouw met blond uitgroeipluis.
“Oh nee, dat is Azdoed. Dat lijkt ook zo op elkaar!”
Verwarring alom. Ook voor ons, oude Hollanders, valt er nog veel te leren.
Vlak voor hij opstaat voor zijn vijfde toets, buigt de wonderschone Turk nog even naar me over. “Nederlandse vrouwen zijn als het weer, wisselend met de dag.”



maandag 2 april 2012

Als je haar maar goed zit

Een paar dagen terug had ik een afspraak bij de kapper. Al maanden niet meer geweest na mijn proefmodelsessie bij de Amsterdamse kappersschool. Vlak voor vertrek ging de telefoon.

Het nummer dat ik niet mag laten rinkelen; een vriendin in een type echtscheiding waarvan iedereen ‘verknipt’ zou raken, wilde haar verhaal graag even kwijt. Ik wilde het ook graag even horen, alleen de klok tikte onbarmhartig door.

Toen ik eindelijk – veel te laat – aan het peddelen was geslagen op mijn mountainbike, stond er een wanhopige Aziatische op het fietspad.
“Mevlouw, kunt u even kijken of er een insect in mijn oog zit?”
Niets te zien, maar even blijven staan - medemenselijkheid kent geen tijd - en geadviseerd om met haar vingers naar het midden (de traanbuis) te wrijven. Stel dat er toch iets was (iets minuscuuls wat je niet kon zien met het blote oog), zou het er uit stromen.

Weer verder, in volle vaart. Had je gedacht. Tegenslag komt zelden alleen. Wegomlegging!
Opbrekerijen en groot materiaal op het fietspad, dus verder over een grindpad door het park. Supersmal. Net op dat pad reed een donkergekleurde moeder (met zo’n typisch geprononceerd lichaamsdeel op het zadel – sorry, maar zo was het) en haar – nog veel dikkere – zoon. In zo’n tempo dat het bijna knap werd om niet om te vallen. En grrr... ik kon er niet langs.

Eindelijk op de weg. Sprintje trekken. Totdat... stoplicht op rood. Het record roodblijvende stoplicht van de stad. Tandenknarsend kijken naar 3000 auto’s die voorbijvliegen. Zij wel!

Laatste stuk, door de stad. Slingerende fietsers, voetgangers die als kamikazestappers op het laatste moment voor je wiel springen. Oké op de zebra, maar dan kan je toch evengoed nog wel uitkijken?
De weg waar ik altijd inrijd, bleek ineens met een slagboom afgezet. “Voetpad” stond er in boze letters. Met wat gymnastisch duwwerk heb ik me er gewoon langs gewurmd.

Slechts drie minuten te laat rende ik de kapsalon binnen. Ik was trots.
In één beweging sloeg de kapster de lichtgroene knipmantel over mijn kleren. Terwijl zij al aan het werk was, wurmde ik me onder de bedekking uit mijn zwarte vest. En toen was het tijd voor relaxen. En af en toe even in de spiegel gluren naar het resultaat in opbouw.

Tevreden bekeek ik mezelf in de achteruitkijkspiegel die ze me na afloop van het werk presenteerde. Het was de moeite waard. Met de andere hand trok ze, met het routineuze gebaar van een goochelaar, het kapmanteltje weer van mijn schouders. En op dat moment zagen we allebei dat rode kaartje ‘uitverkoop’ dat nog achter aan mijn nieuwe shirt hing.