dinsdag 22 november 2011

Steunkousen

Het is zo mistig dat ik pas op een paar meter afstand de donkere gestalte links van de weg kan onderscheiden. Gehuld in een diepdonkerblauwe, vormeloze mantel en het hoofd verscholen onder een zwarte omslagdoek ziet mijn Turkse vriendin Feriha er authentieker uit dan ooit. Met een zucht laat ze zich op de rechtervoorstoel zakken, haar handen houvast zoekend aan het railsje langs het autodak. Het is duidelijk, steunkousen zijn hard nodig.



Voor de zekerheid laat ik haar nog even het adres opnoemen, Mirandellastraat nummer 153. Een kwartiertje later parkeren we bijna voor de deur. Een stukje verderop laat net een taxichauffeur zijn passagier uit.

Verbaasd constateren we dat zij nog steeds buiten staat, als wij - in traag tempo – komen aanschuifelen. Voor de zekerheid druk ik ook nog even op de bel. Drie keer, en op allebei, de witte en de zwarte. Geen teken van leven, de deur blijft hermetisch dicht.
Ook dat bordje ´chiropractor´ doet niet direct een belletje rinkelen. Pas langzaam dringt het tot me door dat ´kraken´ weinig te maken heeft met steunkousen. En dat er niet alleen een Mirandellastraat maar ook een Mirandellahuis is, en wij ons dus op de verkeerde locatie bevinden.

De per taxi gearriveerde mevrouw is zo´n typisch Indonesische deftige dame met een zweem vergane glorie om zich heen. Er is weinig fantasie voor nodig om haar statig te zien zitten achter de tulen klamboe, wenkend naar de baboe om de theeceremonie te voltrekken. De vanzelfsprekendheid waarmee ze mijn aanbod om haar ook even naar het andere adres te rijden, aanvaardt, bevestigt dat beeld.

Zij aan zij op de achterbank zien beide vrouwen er weer been in. Niet gehinderd door hun Turkse en Indische achtergrond worden ervaringen met Nederlandse doktoren luidkeels uitgewisseld. Vanaf het dashboard wijst een Vlaamse stem me de weg naar het nieuwe adres. Hoe multiculti.

Even later zitten we met z´n drieën in de hal van het zorgcentrum. Een toplocatie voor een klantenkring van steunkousgebruikers.
Als Feriha wordt opgehaald, raakt de Indonesische dame wat van slag. “Ik had toch eerder een afspraak? Ik moet naar huis, want zo meteen krijg ik mijn hulp.”
Nerveus haalt ze iets ter grootte van een lunchtrommeltje tevoorschijn. Pas als ze daarop fanatiek begint te drukken, begrijp ik wat het is. Haar mobiele telefoon, waarschijnlijk zo´n seniorenmodel met extra grote toetsen. Alleen jammer dat ze het nummer in het minuscule adresboekje niet goed kan lezen.

Net als ik wil aanbieden even te helpen, komt mijn Turkse vriendin weer tevoorschijn, haar gezicht één groot vraagteken.
“Volgende week moet ze terugkomen,” snijdt de kousprofessional haar verbaal de pas af. En dan is de volgende aan de beurt.
“Ga jij mij bellen?” vraagt Feriha nog even. Haar welbekende vriendelijke glimlach wordt beantwoord met haastig schudden. Belt u niet, wij bellen u.

Helemaal begrijpen doet ze het niet, mijn Turkse vriendin, en dat snap ik best. Onderweg in de auto leg ik uit dat deze keer haar maten zijn opgenomen en dat ze binnenkort een uitnodiging krijgt op de kousen op te halen.
“Ga jij weer mee dan?” vraagt ze. Een zinnetje dat ze inmiddels feilloos beheerst.

We hebben elkaar leren kennen omdat ik haar zou steunen bij haar taallessen voor de inburgering. Inmiddels is mijn taak zover uitgedijd als de dikke bobbels op Feriha’s benen, waarvoor ze nu die medische kousen nodig heeft. Maar ach, als het even kan, probeer ik weleens wat in te passen. Een vreemde taal leren is lastig, maar dat geldt zeker ook voor het passen in een nieuwe cultuur. Beide gaan nu eenmaal stap voor stap.




vrijdag 4 november 2011

Dûh!

Een installateur van verwarmingssystemen koos voor klantenbinding via een nieuwsbrief, huis aan huis verspreid. Vóór het koude seizoen moest die bij 50.000 adressen op de mat liggen, dus er was wat druk op de ketel. Op het laatste moment koos hij voor een bundeling van louter technische informatie over cv’s. Voordeliger, maar minder persoonlijk en ik vraag me af zijn klanten daar een warm gevoel van kregen.



Nog meer kan ik mijmeren over de toekomst van het schrijversvak over de gehele linie. Duidelijk, het schoonschrift van de monniken is al eeuwen geleden afgeschreven. Een paar jaar terug oefende ik nog eventjes, samen met een Tekstnetcollega, met de ganzenveer in het Letterkundig Museum in Den Haag, louter voor de lol. Maar hoe zit het met de edele schrijfkunst met Word? Wordt dat ook iets van oude beroepen en dingen die voorbij gaan?

De tijd dat de (dagblad)journalist tot de notabelen van de maatschappij behoorde, ligt mijlenver achter ons. Met internetforums en weblogs is er voor iedereen een spreek- en schrijfpodium. Met twitter zijn tweets beperkt tot 140 tekens en in SMS-taal moet alles krt & krchtg.

Vroeger had ik weleens woorden met een designer, omdat mijn tekst precies moest passen in de blokjes die hij had bedacht. Tegenwoordig lijkt tekst nog veel meer een rekbaar begrip. Websitebouwers bieden een zee aan ICT-service, maar de inhoudelijke vulling van de website?
“Och, dat maakt niet zoveel uit.” Edoch, wat betekent dat voor de kwaliteit?

Is de tijd dat er waardering was voor goed geformuleerd tekstwerk echt voltooid verleden tijd? Tot op heden heb ik dat niet kunnen geloven. Niet willen geloven. En waar een wil is, is een weg.
Wie schrijft die blijft, daar moet tegenwoordig simpelweg een woordje bij: bij.
Onder die noemer ‘bijblijven’ vallen bondige berichten, het besef dat kort, krachtig en kernachtig ook prachtig kan zijn. Maar ook dan is er nog behoefte aan iemand die de schrijfkunst verstaat, de d- en t-regels kent en niet te vergeten de lidwoorden.

Gisterenavond werd het achteloos gepresenteerd, tussen neus en lippen door, op het nieuws. Het gaat verdwijnen. Wat? Het! Binnenkort mogen alle woorden met het lidwoord ‘de’.
De gedachte die toen even opborrelde, is weer te geven in zegge en schrijve één woordje, helemaal van deze tijd: dûh!